ECLI:NL:RBOBR:2017:4804
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM wegens nalatige procesvoering in ontnemingsprocedure drugshandel
De ontnemingsprocedure betreft zes veroordeelden in een strafzaak over deelname aan een crimineel samenwerkingsverband dat grote hoeveelheden drugs importeerde en exporteerde. Het openbaar ministerie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (wvv), maar wijzigde herhaaldelijk de berekeningsgrondslagen en bedragen zonder duidelijke onderbouwing.
De rechtbank constateerde dat het OM onvoldoende duidelijkheid gaf over het exacte bedrag van de ontnemingsvordering en naliet periodiek verslag uit te brengen over het nader Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (SFO). Tevens stopte het OM met het verzamelen van relevante financiële gegevens, zoals bankafschriften en belastinggegevens, ondanks eerdere opdrachten van de rechtbank.
De wisselende en voorlopige standpunten van het OM over de hoogte van het wvv, gecombineerd met het gebrek aan adequate onderzoeksactiviteiten en communicatie, schenden volgens de rechtbank de beginselen van een behoorlijke procesorde. Hierdoor is het OM niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De uitspraak benadrukt het belang van rechtszekerheid en adequate procesvoering in ontnemingszaken, waarbij het OM verplicht is een helder en onderbouwd standpunt in te nemen en de vermogenspositie van veroordeelden zorgvuldig te onderzoeken.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wegens nalatige en diffuse procesvoering.