ECLI:NL:RBOBR:2017:5748
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs in verkrachtingszaak
De rechtbank Oost-Brabant behandelde een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van verkrachting op 31 januari 2016 te Helmond. De benadeelde partij verklaarde dat verdachte haar onder dwang tot seksuele handelingen had gedwongen, waaronder het betasten van haar borsten en het hebben van geslachtsgemeenschap. Verdachte ontkende het gebruik van dwang en stelde dat het seksuele contact vrijwillig was.
Tijdens de zitting werd vastgesteld dat de dagvaarding geldig was en dat de rechtbank bevoegd was om de zaak te behandelen. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 42 maanden, deels voorwaardelijk, en een schadevergoeding voor de benadeelde partij. De verdediging betoogde dat het feit niet wettig en overtuigend bewezen was en verzocht om vrijspraak en niet-ontvankelijkheid van de vordering tot schadevergoeding.
De rechtbank oordeelde dat het dossier onvoldoende objectieve aanknopingspunten bevatte ter ondersteuning van de aangifte. De verklaringen van de benadeelde partij waren op essentiële punten vaag en werden niet ondersteund door bewijs, zoals verwondingen of camerabeelden. De rechtbank concludeerde dat niet met de vereiste mate van zekerheid kon worden vastgesteld dat verdachte de tenlastegelegde verkrachting had gepleegd.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij werd veroordeeld in de proceskosten, welke nihil werden begroot.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor verkrachting.