Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
De formele voorvragen.
1. Het standpunt van de officier van justitie.
2. Het standpunt van de verdediging.
- onjuiste en leugenachtige voorlichting van de Nederlandse autoriteiten in een rechtshulpverzoek door de Spaanse autoriteiten en het daardoor op basis van onjuiste startinformatie toepassen van ingrijpende bijzondere opsporingsbevoegdheden;
- inzet van een (criminele) burgerinfiltrant zonder een daartoe strekkend bevel;
- bedreiging en sturing van een (criminele) burger(infiltrant);
- infiltratie door buitenlandse opsporingsambtenaren zonder een daartoe strekkend bevel en het hierdoor zonder wettelijke basis optreden van buitenlandse opsporingsambtenaren op Nederlands grondgebied;
- het niet of onvoldoende voorlichten van de betreffende buitenlandse opsporingsambtenaren aangaande het Tallon-criterium ter voorkoming van uitlokking;
- het afgeven van een bevel pseudokoop zonder een daarvoor benodigd redelijk vermoeden van schuld en verder het onrechtmatig gebruik maken van het bevel nu het traject veel omvattender was dan de grenzen van dat betreffende bevel pseudokoop.
Vrijspraak.
De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.
Bewijsuitsluiting
Bewijsmiddelen
Medeplegen
Wetenschap bestemming buitenland
De bewezenverklaring.
subsidiair)
De strafbaarheid van het feit.
De strafbaarheid van verdachte.
Oplegging van straf en maatregel.
Beslag.De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen onder verdachte in beslag genomen telefoon vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is met behulp van welke de opsporing van de onder 1 en 2 ten laste gelegde misdrijven is belemmerd en niet is kunnen worden vastgesteld aan wie dit voorwerp toebehoorde.
Toepasselijke wetsartikelen.
DE UITSPRAAK
Ten aanzien van feit 1 subsidiair:poging tot medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2,aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod. Ten aanzien van feit 2:medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef enonder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, in eendaadsesamenloop begaan met medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een inartikel 2, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalengepleegd. Ten aanzien van feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie enhet feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie IIIenhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie,meermalen gepleegdenhandelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie. Ten aanzien van feit 4:opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder C, van deOpiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegdenopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder C, vande Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Ten aanzien van feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3, feit 4:Gevangenisstraf voor de duur van 43 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het