Eiseres onderging in 2000 een borstoperatie waarbij een PIP-implantaat werd geplaatst. Later ontstonden klachten en werd het implantaat in 2012 verwijderd, waarbij bleek dat het gescheurd was. Eiseres vorderde een verklaring voor recht dat het ziekenhuis aansprakelijk is voor de schade door het gebruik van het PIP-implantaat, en een voorschot op schadevergoeding.
Het ziekenhuis betwistte aansprakelijkheid en stelde dat het PIP-implantaat niet bekend was als ongeschikt bij plaatsing en dat het niet redelijk is de tekortkoming aan haar toe te rekenen. De rechtbank overwoog dat het PIP-implantaat ongeschikt is vanwege fraude met industriële siliconen en verhoogde kans op scheuren, maar dat het ziekenhuis niet bekend was met deze gebreken bij plaatsing.
De rechtbank volgde eerdere jurisprudentie en oordeelde dat het niet redelijk is de tekortkoming toe te rekenen aan het ziekenhuis, mede vanwege het faillissement van de producent en het ontbreken van verwijtbaarheid aan het ziekenhuis. De vorderingen van eiseres werden afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.