Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.De procedure
- het tussenvonnis van 22 maart 2017;
- het proces-verbaal van comparitie van 25 september 2017.
Rechtbank Oost-Brabant
Hairstore en Macadamia sloten begin 2012 een mondelinge distributieovereenkomst voor onbepaalde tijd waarbij Hairstore exclusief distributeur was in de Benelux. Macadamia zegde de overeenkomst in juli 2016 op met een opzegtermijn van drie maanden, wat Hairstore onrechtmatig vond en aanvocht. Hairstore vorderde een schadevergoeding omdat de korte opzegtermijn het onmogelijk maakte investeringen terug te verdienen.
De rechtbank kwalificeerde de overeenkomst als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd die in principe opzegbaar is zonder zwaarwegende grond, maar waarbij redelijkheid en billijkheid een langere opzegtermijn kunnen vereisen. De rechtbank vond geen zwaarwegende grond voor opzegging noodzakelijk, maar achtte de opzegtermijn van drie maanden te kort gezien de duur van de relatie, het belang van het distributeurschap en het ontbreken van duidelijke afspraken.
Macadamia had Hairstore een opzegtermijn van zes maanden moeten gunnen. De rechtbank wees een vergoeding toe voor de schade die Hairstore lijdt door de te korte opzegtermijn, maar verwierp de vordering tot vergoeding van investeringen zelf. De zaak werd aangehouden om de omvang van de schade nader te bepalen.
De rechtbank hield rekening met het normale bedrijfsrisico, het feit dat Hairstore niet afhankelijk was in die mate dat haar bedrijfsvoering in gevaar kwam, en dat Hairstore na opzegging andere merken aan haar portefeuille toevoegde. De opzegtermijn van twee jaar die Hairstore vorderde werd te lang geacht en afgewezen.
Uitkomst: Macadamia had een opzegtermijn van zes maanden moeten hanteren en dient de schade te vergoeden die Hairstore lijdt door de te korte opzegtermijn.