Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Ingevolge artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, ook ambtshalve, een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen.
3. Ter zitting heeft verzoekster uitdrukkelijk verklaard dat het verzoek erop is gericht dat verweerder uitvoering geeft aan de uitspraak van de voorzieningenrechter van
22 november 2016, wat er feitelijk op neerkomt dat het instellen van De Bosschen als een doodlopende weg voor gemotoriseerd verkeer, wordt teruggedraaid, zodat het gemotoriseerd verkeer De Bosschen in de noordelijke richting kan verlaten, via de Christiaan Huygensweg dan wel via de Spoorlaan. De voorzieningenrechter ziet het onderhavige verzoek dan ook als een verzoek als bedoeld in artikel 8:87, eerste lid, van de Awb. Het verzoek is connex aan het bezwaar tegen het verkeersbesluit (het bestreden besluit).
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen volledige uitvoering kan worden gegeven aan de uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 november 2016, omdat het gehele verkeersbesluit van 6 september 2016 is geschorst, waaronder begrepen het plaatsen van verkeersborden. De betreffende verkeersborden waren al geplaatst, maar zijn als gevolg van de uitspraak afgedekt. Indien verweerder de afsluiting weghaalt en De Bosschen weer een doorgaande weg wordt, zal een gevaarlijke situatie ontstaan, onder meer vanwege op de Christiaan Huygensweg afslaande vrachtwagens, die daarbij op de andere kant van de weg komen.
5. Verzoekster heeft gemotiveerd betwist dat een gevaarlijke situatie zal ontstaan. Volgens verzoekster is nu juist een gevaarlijke situatie ontstaan op De Bosschen door deze als doodlopende weg in te stellen. Verzoekster heeft ter onderbouwing onder meer een aantal foto’s van de situatie ter plaatse overgelegd.
6. De voorzieningenrechter is ook op basis van de thans voorhanden zijnde gegevens van oordeel dat verweerder de noodzaak van het verkeersbesluit vooralsnog onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt en dat niet kan worden vastgesteld of een zorgvuldige afweging heeft plaatsgevonden van alle bij het besluit betrokken belangen. Daarbij is in aanmerking genomen dat verweerder tijdens zitting van 31 januari 2017 heeft verklaard dat nog een verkeerstelling zal worden gehouden. Nu verweerder echter stelt dat bij het schorsen van het gehele bestreden besluit een gevaarlijke situatie zal ontstaan, terwijl het verzoekster te doen is om de openstelling van De Bosschen, wijzigt de voorzieningenrechter de bij uitspraak van 22 november 2016 getroffen voorlopige voorziening in dier voege dat in plaats van alle drie de onderdelen, slechts de onderdelen 1 en 2 van het bestreden besluit worden geschorst, inhoudende:
1. een doodlopende weg in te stellen op De Bosschen gelegen tussen de kasteeldreef en de 200 meter noordelijk gelegen aansluiting met een onverhard pad met uitzondering van (brom)fietsverkeer, conform overzichtstekening VB-2016, door het plaatsen van de borden L8 (doodlopende weg) en onderbord OB54 (uitgezonderd (brom)fietsers) en het verwijderen van bebording C07 (gesloten voor vrachtauto’s) en C01 (eenrichtingsweg) van bijlage I van het RVV 1990;
2. een bromfietspad in te stellen op het wegvak van De Bosschen tussen 30 meter ten zuiden vanaf de aansluiting Spoorlaan en 200 meter ten noorden van de aansluiting Kasteeldreef door het aanbrengen van de verkeersborden G12a van bijlage I van het RVV 1990, zoals weergegeven in overzichtstekening VB-2016-16.
Voor de duidelijkheid merkt de voorzieningenrechter op dat voormelde schorsing duurt tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist, zoals ook in de uitspraak van 22 november 2016 is bepaald.
7. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen, in aanvulling op de wijziging op de bij uitspraak van 22 november 2016 getroffen voorlopige voorziening, dat verweerder hier alsnog uitvoering aan geeft, op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat verweerder in gebreke blijft. Daarbij is in aanmerking genomen dat verweerder eerst tijdens de zitting van 31 januari 2017, dus niet ten tijde van het eerdere verzoek om een voorlopige voorziening waarop de hiervoor aangehaalde uitspraak is gevolgd, naar voren heeft gebracht dat schorsing van het gehele bestreden besluit tot een gevaarlijke situatie zal leiden.
8. Omdat het verzoek wordt toegewezen, veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de proceskosten van verzoekster, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht, tot een bedrag van € 990,00. Ook dient verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 334,00 te voldoen.