ECLI:NL:RBOBR:2017:6538
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wegens ne bis in idem bij vervolging voor verkrachting na vrijspraak diefstal met geweld
Op 12 mei 2009 vond een gewapende overval plaats waarbij twee slachtoffers werden bedreigd, vastgebonden en mishandeld, en waarbij één slachtoffer werd verkracht. Verdachte werd aanvankelijk vervolgd voor diefstal met geweld, waarbij de verkrachting onderdeel uitmaakte van de tenlastelegging. Na behandeling van de zaak in 2013 sprak de rechtbank verdachte vrij wegens onvoldoende bewijs.
In 2017 werd verdachte opnieuw gedagvaard voor de verkrachting, nu als zelfstandig feit. De verdediging stelde dat dit een dubbele vervolging betrof, strijdig met het ne bis in idem-beginsel. De officier van justitie voerde aan dat het om verschillende feiten ging, met verschillende juridische kwalificaties en strafmaxima.
De rechtbank oordeelde dat de verkrachting onderdeel was van het feit waarvoor verdachte al was vrijgesproken en dat de feitelijke gedragingen in beide tenlasteleggingen substantieel gelijk waren. De juridische aard van de feiten was niet zodanig verschillend dat sprake was van een ander feit. Daarom werd het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging en werd het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens ne bis in idem.