ECLI:NL:RBOBR:2018:1465
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte wegens gebrek aan bewijs opzet invoer en bezit heroïne
De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte vrijgesproken van het medeplegen van de invoer en het aanwezig hebben van circa 88 kilogram heroïne, codeïne en/of morfine. De tenlastelegging betrof het opzettelijk binnenbrengen en/of aanwezig hebben van deze verdovende middelen in een vrachtwagencombinatie die op 17 maart 2017 in een loods in Drunen werd aangetroffen.
De verdenking was gebaseerd op het feit dat verdachte samen met twee medeverdachten werd aangetroffen in de loods waar de drugs werden gevonden. Verdachte verklaarde dat hij was ingeschakeld om een vrachtwagen met geblokkeerde remmen te repareren en dat hij niet wist van de aanwezigheid van drugs in de assen van de oplegger. De rechtbank vond zijn verklaring consistent, geloofwaardig en ondersteund door andere verklaringen en bewijs.
De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was dat verdachte opzet had op de invoer of het aanwezig hebben van de drugs, noch dat hij feitelijke beschikkingsmacht had over de middelen. Het enkele feit dat verdachte aanwezig was en werkzaamheden verrichtte, was onvoldoende om opzet of medeplegen aan te nemen.
Daarom werd verdachte vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten. Het bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven. De uitspraak benadrukt het belang van bewijs van opzet en beschikkingsmacht bij drugszaken.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van opzet en beschikkingsmacht betreffende invoer en bezit van heroïne.