Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
De formele voorvragen.
Bewijs
[verdachte] verklaarde ter terechtzitting van 26 maart 2018 onder meer het volgende:
Feit 1
Rechtbank Oost-Brabant
Op 14 juni 2016 vond in Tilburg een tragisch bedrijfsongeval plaats waarbij het slachtoffer, een werknemer van het bedrijf van verdachte, bedolven werd onder zand bij een uitgraving en overleed. De uitgraving voldeed niet aan de veiligheidsnormen zoals vastgelegd in het Arbobesluit, met name het ontbreken van doeltreffende stut- of taludvoorzieningen ter voorkoming van instorting.
De rechtbank stelde vast dat verdachte als feitelijk leidinggevende van het bedrijf onvoldoende veiligheidsmaatregelen had getroffen en daarmee opzettelijk handelde in strijd met artikel 3.30 van het Arbobesluit. Daarnaast was sprake van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en nalatigheid bij de uitvoering van de werkzaamheden, mede door het ontbreken van een veiligheids- en gezondheidsplan en onvoldoende risicobeoordeling.
De verdediging voerde aan dat verdachte niet wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat er levensgevaar bestond en dat het een foute inschatting betrof. Dit werd door de rechtbank verworpen op basis van de bewijsmiddelen waaronder het veiligheidsplan, richtlijnen van Abomafoon en CROW, en de omstandigheden ter plaatse.
De rechtbank achtte verdachte strafbaar voor feitelijk leidinggeven aan de overtredingen en medeplegen van aanmerkelijk onvoorzichtig handelen waardoor het slachtoffer is overleden. Gelet op de ernst van het feit, de impact op de nabestaanden en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, legde de rechtbank een geheel voorwaardelijke geldboete van € 10.000,- op met een proeftijd van twee jaar.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 10.000,- met een proeftijd van twee jaar wegens onvoldoende veiligheidsmaatregelen die leidden tot de dood van een werknemer.