ECLI:NL:RBOBR:2018:1762
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aflossingscapaciteit bij terugvordering Werkloosheidswet-uitkering
Eiser is door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) geconfronteerd met een terugvordering van teveel betaalde Werkloosheidswet-uitkering. Verweerder stelde een maandelijkse aflossingscapaciteit van €122,52 vast, na herziening van het primaire besluit waarbij eerst €435,57 per maand werd opgelegd.
Eiser betwistte de hoogte van het aflossingsbedrag, met name omdat volgens hem ten onrechte rekening is gehouden met de algemene heffingskorting van zijn partner. Verweerder stelde dat de partner recht heeft op deze heffingskorting, wat door de rechtbank werd bevestigd wegens het ontbreken van bewijs van het tegendeel.
De rechtbank oordeelde dat de berekening van de aflossingscapaciteit conform de toepasselijke regelgeving en de door eiser verstrekte inkomensgegevens is uitgevoerd. Ook werd geoordeeld dat schulden van eiser bij de belastingdienst, die geen hogere preferentie hebben dan de vordering van het UWV, niet in mindering mogen worden gebracht.
Hierdoor is de aflossingscapaciteit van €122,52 per maand terecht vastgesteld en is het beroep ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de aflossingscapaciteit van €122,52 per maand correct is vastgesteld.