Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.[huurder] ,
[medehuurster] ,
[V.] ,
[L.] ,
Rechtbank Oost-Brabant
Woonbedrijf vordert ontbinding van de huurovereenkomst met [huurder] en medehuurder wegens het niet gebruiken van de woning als hoofdverblijf en het ongeoorloofd in gebruik geven aan derden. [Huurder] zit sinds mei 2016 gedetineerd en heeft de woning ruim anderhalf jaar niet bewoond. Woonbedrijf stelt dat hierdoor sprake is van woonfraude en tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst.
[Huurder] betwist dit en voert aan dat hij zijn hoofdverblijf wel in de woning heeft, dat er geen sprake is van onderhuur maar van een gezamenlijke huishouding met [V.] en [L.], en dat huisbewaring mogelijk is om de woning tijdelijk te verhuren tijdens detentie. De rechtbank oordeelt dat de langdurige afwezigheid van meer dan 18 maanden leidt tot het verlies van het hoofdverblijf in de woning en dat dit een tekortkoming vormt die ontbinding rechtvaardigt.
De rechtbank wijst de vordering tot ontbinding en ontruiming toe en veroordeelt [huurder], [medehuurster], [V.] en [L.] hoofdelijk in de proceskosten. De vordering tegen [medehuurster] wordt deels ingetrokken omdat zij de huurovereenkomst heeft opgezegd. De gebruikelijke ontruimingstermijn van veertien dagen wordt gehanteerd.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de woning moet binnen veertien dagen worden ontruimd.