Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.Ricoh Nederland B.V.,
2.[eiser sub 2] ,
3.[eiser sub 3] ,
1.Het verloop van het geding
2.De feiten
3.Het geschil
waarmeede werkzaamheden worden uitgevoerd.
4.De beoordeling
De artikelen 7:662 e.v. BW betreffen de implementatie van Richtlijn 01/23/EG, Pb.EG, L 82/16 en haar voorgangers. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een overgang in de zin van de richtlijn is het beslissende criterium of de identiteit van de onderneming bewaard blijft.
Bij de beantwoording van de vraag of een economische eenheid, na een overgang op grond van een overeenkomst, haar identiteit heeft behouden, moet volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU rekening worden gehouden met alle feitelijke omstandigheden die de betrokken transactie kenmerken, zoals de aard van de betrokken onderneming of vestiging, de vraag of materiële activa als gebouwen en roerende zaken worden overgedragen, de waarde van de immateriële activa op het tijdstip van de overgang, de vraag of vrijwel al het personeel door de nieuwe ondernemer wordt overgenomen, de vraag of de clientèle wordt overgedragen, de mate waarin de vóór en na de overgang verrichte activiteiten met elkaar overeenkomen en de duur van een eventuele onderbreking van die activiteiten (de zogenaamde “Spijkersfactoren”; HvJ EG 18 maart 1986, ECLI:EU:C:1986:127, NJ 1987, 502, Spijkers/Benedik). Deze factoren zijn echter slechts deelaspecten van het te verrichten volledige onderzoek en mogen daarom niet elk afzonderlijk worden beoordeeld. (Zie onder meer ook HvJ EU, 20-01-2011, ECLI:EU:2011:24 Clece/Martin Valor).
Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU wettigt de enkele omstandigheid dat de door de vervreemder uitgeoefende activiteit en de door de verkrijger uitgeoefende activiteit overeenkomen of zelfs identiek zijn, niet de conclusie dat een economische eenheid haar identiteit behoudt; een economische eenheid kan niet worden gereduceerd tot de activiteit waarmee zij is belast.