In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om een geschil tussen vogelbeschermingsverenigingen en de provincie Noord-Brabant over de intrekking van een dwangsombesluit gericht tegen een bouwbedrijf dat een schuurtje sloopte waarin een steenuil zou hebben genesteld.
De provincie had in 2017 een last opgelegd aan de derde-partij om sloopwerkzaamheden te staken vanwege beschadiging van het steenuilnest, een overtreding van artikel 3.5, vierde lid van de Wet natuurbescherming. Later trok de provincie dit dwangsombesluit in, omdat uit onderzoek bleek dat het nest niet meer aanwezig was.
Verzoeksters, vogelbeschermingsverenigingen, maakten bezwaar tegen deze intrekking en vroegen om een voorlopige voorziening om de sloop te schorsen. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen nest meer in de schuur zit en dat sloop daarom geen overtreding oplevert. Ook werd vastgesteld dat verzoeker geen persoonlijk belang had, terwijl de verenigingen wel belanghebbenden waren.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het weinig zin had om het intrekkingsbesluit te schorsen, omdat de steenuil waarschijnlijk elders een nest heeft gevonden. Daarom werden de verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.