Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
Onderzoek van de zaak.
Ontvankelijkheid van de officier van justitie.
Beslissing.
niet-ontvankelijkin de vordering.
Rechtbank Oost-Brabant
De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 28 mei 2018 de ontnemingsvordering tegen verdachte, die gelijktijdig met de strafzaak werd behandeld. De officier van justitie vorderde betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk geschat op € 820.000, later verlaagd naar € 126.906.
Omdat verdachte in de strafzaak is vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten, is niet voldaan aan de ontvankelijkheidseis van artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Hierdoor kan de ontnemingsvordering niet worden toegewezen.
De rechtbank verklaarde daarom de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer en uitgesproken op 28 mei 2018.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming wegens vrijspraak van verdachte.