In deze zaak vordert de man, die het eenhoofdig gezag heeft over zijn 17-jarige dochter, dat de vrouw wordt veroordeeld om de dochter binnen zeven dagen terug te brengen naar hem. De dochter is sinds februari 2018 bij de vrouw gaan wonen en weigert terug te keren. De voorzieningenrechter heeft de minderjarige gehoord en heeft vastgesteld dat zij ernstige weerstand voelt tegen terugkeer naar de man, hoewel zij contact met hem wenst onder begeleiding.
De vrouw heeft aangegeven dat hulpverlenende instanties adviseren om het contactherstel tussen man en dochter onder begeleiding te laten plaatsvinden en het terugbrengen voorlopig te laten rusten. Partijen zijn het eens dat de dochter zorg en begeleiding nodig heeft vanwege een hechtingsstoornis en haar verleden. De rechter weegt het belang van het kind zwaar en houdt rekening met haar wensen en gevoelens.
De voorzieningenrechter concludeert dat toewijzing van de vordering tegen de wil van de dochter zou leiden tot onwenselijke situaties en dat zij niet zal terugkeren als zij wordt gedwongen. Daarom wordt de vordering afgewezen. De kosten van de procedure worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.