Partijen zijn ex-echtelieden die in 1981 in gemeenschap van goederen zijn gehuwd en in 1994 zijn gescheiden met een boedelscheiding. De vrouw vordert in kort geding betaling van haar deel van het ouderdomspensioen van de man vanaf januari 2016. De man stelt dat partijen met de verklaring van november 1994 afstand hebben gedaan van pensioenrechten en betwist de hoogte van de vordering.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en Nederlands recht van toepassing is. De vrouw heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de vordering, omdat zij niet concreet heeft gesteld dat zij financieel niet kan voorzien in haar levensonderhoud zonder de pensioenuitkering.
Daarnaast is de vordering niet voldoende aannemelijk omdat de man gemotiveerd betwist dat de vrouw aanspraak heeft op het gevorderde bedrag en een beroep doet op verrekening met pensioenrechten van de vrouw. De verklaring van 1994 kan duiden op afstand van rechten. De hoogte van het bedrag is ook betwist.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af en compenseert de proceskosten tussen partijen, zodat ieder zijn eigen kosten draagt.