De rechtbank Oost-Brabant behandelde het beroep van een maatschap tegen het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant over een last onder dwangsom wegens niet-naleving van de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant 2013 (VS2013) en de afwijzing van een verzoek tot toepassing van de hardheidsclausule.
De rechtbank constateerde dat de VS2013 per 1 januari 2017 is ingetrokken en vervangen door de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant 2016 (Vnb2016). Hoewel de inhoud van beide verordeningen gelijk is, had het college in het bestreden besluit niet duidelijk genoeg gemaakt wat de verplichtingen waren, wat tot onduidelijkheid leidde. De rechtbank oordeelde dat het college bevoegd is om verdergaande verplichtingen op te leggen, ook als een inrichting een geldige Wnb-vergunning heeft.
De rechtbank verwierp het beroep op overgangsrecht omdat het bedrijfsontwikkelingsplan geen nieuwe aanvraag was, maar oordeelde dat het college de rentabiliteit van noodzakelijke investeringen bij de beoordeling van de hardheidsclausule moet betrekken. Het college had onvoldoende gemotiveerd waarom het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule werd afgewezen en had niet onderzocht of toepassing negatieve gevolgen zou hebben voor Natura 2000-gebieden. Daarom vernietigde de rechtbank de bestreden besluiten, herroept de last onder dwangsom en gelast naleving van artikel 1.4 van de Vnb2016 met een dwangsom, en beveelt het college een nieuw besluit te nemen over het bezwaar tegen de afwijzing van de hardheidsclausule.