De rechtbank Oost-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het verkopen van cocaïne in een café en het bezit van een busje pepperspray. De zaak draaide vooral om de rechtmatigheid van de inzet van pseudokoop als opsporingsmiddel en de toepassing van het Tallon-criterium, dat uitlokking van strafbare feiten verbiedt.
De politie startte een onderzoek naar drugshandel in een café, waarbij pseudokopers werden ingezet. Verdachte verkocht meerdere keren cocaïne aan deze pseudokopers, waarvan één keer zonder voorafgaand bevel. De verdediging stelde dat dit eerste gebruik onrechtmatig was en dat de herhaalde inzet van pseudokoop disproportioneel was. Ook werd betoogd dat het Tallon-criterium was geschonden omdat verdachte tot strafbare feiten zou zijn gebracht die hij anders niet gepleegd zou hebben.
De rechtbank oordeelde dat het eerste pseudokoop zonder bevel een vormverzuim was, maar dat dit niet leidde tot bewijsuitsluiting omdat er voldoende verdenking was en de inzet proportioneel en subsidiariteit was gewaarborgd. De feiten bewezen dat verdachte een predispositie had tot drugshandel en dat het Tallon-criterium niet was geschonden. Verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur, deels voorwaardelijk, en vrijgesproken voor overige tenlastegelegde feiten. Het bezit van pepperspray werd eveneens bewezen verklaard.