De zaak betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen die wonen bij hun ouders. De ondertoezichtstelling was eerder opgelegd vanwege ernstige bedreigingen in de ontwikkeling van de kinderen door complexe multiproblematiek binnen het gezin, waaronder financiële problemen, onbewoonbare woonomstandigheden en opvoedingsproblemen.
De hulpverlening, die essentieel is voor het welzijn van de kinderen, is pas ruim zes maanden na de start van de ondertoezichtstelling opgestart. Dit kwam doordat de gemeente een budgettair plafond had bereikt in haar contracten met de zorgaanbieder Amarant. De kinderrechter acht dit onaanvaardbaar en in strijd met het dwingende karakter van de ondertoezichtstelling, die juist een snelle inzet van hulpverlening vereist.
Ter zitting werd vastgesteld dat de kinderen en ouders te maken hebben met ernstige problemen, waaronder een onbewoonbaar huis met schimmel en lekkages, en dat ouders door hun (licht) verstandelijke beperking onvoldoende opvoedcapaciteit hebben. Ondanks de late start van de hulpverlening is het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling noodzakelijk om de hulpverlening te continueren en uit te breiden.
De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar, met ingang van 15 december 2018 tot 15 december 2019, en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Het vonnis is op 22 november 2018 uitgesproken en op 28 november 2018 schriftelijk vastgesteld.