ECLI:NL:RBOBR:2018:6569

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
14 november 2018
Publicatiedatum
9 januari 2019
Zaaknummer
C/01/335902 / EX RK 18-115
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 Wet inrichting landelijk gebiedArt. 68 Wet inrichting landelijk gebiedArt. 69 Wet inrichting landelijk gebiedArt. 3.4 Algemene wet bestuursrechtArt. 6:2 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
15 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen lijst geldelijke regelingen landinrichting Weerijs-Zuid

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de lijst geldelijke regelingen (LGR) voor het herverkavelingsblok Weerijs-Zuid, waarbij hij meerdere grieven aanvoerde, waaronder een hogere vergoeding voor grond die aan het waterschap is toegewezen, vergoeding van inkomensschade door onderbedeling, kosten voor drainage, onkruidbestrijding en juridische bijstand.

De rechtbank oordeelt dat verzoeker ontvankelijk is, ondanks dat de gronden na de beroepstermijn zijn aangevuld, vanwege zwaarwegend belang en herstel zonder nadeel voor verweerder. Over de grondwaarde en drainagekosten is overeenstemming bereikt, waarbij de waarde van de grond wordt vastgesteld op €8,00 per m² en drainagekosten op €2.750,00.

De claim voor inkomensschade door onderbedeling wordt afgewezen omdat deze voortvloeit uit een grenscorrectie op verzoek van verzoeker zelf. De schade wegens onkruidbestrijding wordt eveneens afgewezen omdat deze niet aannemelijk is en als normaal bedrijfsrisico geldt. Vergoeding van kosten voor juridische en deskundige bijstand wordt beperkt toegekend, waarbij alleen een deel van de deskundigenkosten wordt vergoed.

De rechtbank veroordeelt verweerder tot wijziging van de LGR conform de vastgestelde grondwaarde en drainagevergoeding, en tot vergoeding van proceskosten aan verzoeker. Het beroep wordt voor het overige ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de lijst geldelijke regelingen voor grondwaarde en drainagekosten en wijst overige schadeclaims af.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rekestnummer: C/01/335902 / EX RK 18-115
Beschikking van 14 november 2018
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
gemachtigde mr. R.M.C.M. Bogers te Kruisland,
tegen
Het College van GEDEPUTEERDE STATEN van de provincie Noord-Brabant,
zetelend te 's-Hertogenbosch,
verweerder,
gemachtigde mr. M.A.T.L.Thijssen te ‘s-Hertogenbosch.

1.De procedure

1.1.
Bij besluit van 15 mei 2018 heeft verweerder de lijst der geldelijke regelingen, als bedoeld in artikel 62 Wet Pro inrichting landelijk gebied (Wilg), voor het herverkavelingsblok ‘Weerijs-Zuid’ (hierna: LGR) vastgesteld. De LGR heeft ter inzage gelegen van 24 mei 2018 tot en met 4 juli 2018.
1.2.
Bij verzoekschrift van 4 juli 2018, ontvangen op de griffie van deze rechtbank op 4 juli 2018, heeft verzoeker pro forma beroep ingesteld tegen de LGR en de rechtbank verzocht hem een termijn te geven voor indiening van aanvullende gronden. De rechtbank heeft verzoeker in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 25 juli 2018 de gronden aan te vullen. Bij brief van 24 juli 2018, ontvangen op de griffie van deze rechtbank op 25 juli 2018, heeft verzoeker het verzoek en de gronden waarop dit berust aangevuld. De grieven van verzoeker tegen de LGR houden -zakelijk weergegeven- het volgende in:
1. De door hem ingebrachte grond die ten behoeve van de Ecologische Verbindingszone (hierna EVZ) is toegewezen aan Waterschap Brabantse Delta
(604 m²), dient te worden verrekend tegen een prijs van € 10,00 per m² in plaats van € 7,00 per m².
2. De inkomensschade die verzoeker lijdt door de onderbedeling met 465 m², dient te worden vergoed.
3. De extra kosten die verzoeker maakt in verband met de aanleg van een nieuwe drainage door de EVZ, dienen te worden vergoed.
4. De schade in verband met onkruidbestrijding dient te worden vergoed.
5. De kosten van juridische en deskundige bijstand dienen te worden vergoed.
1.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft tevens algemene stukken in het geding gebracht. Daaronder bevinden zich de Nota van zienswijzen Lijst Geldelijke Regelingen landinrichting Weerijs-Zuid, de Nadere Regels voor de schatting als bedoeld in artikel 68 van Pro de Wilg voor het herverkavelingsblok Weerijs-Zuid, voorbeeldbedrijven ten behoeve van de schatting, de algemene bepalingen bij de LGR Weerijs-Zuid, de voorlopige kostenopgave LGR Weerijs-Zuid, het besluit vaststelling ruilplan Weerijs-Zuid van 1 september 2015 en het besluit van verweerder van 18 september 2018, waarbij mr. M.A.T.L. Thijssen en mr. H.J.W. Leenen zijn gemachtigd om namens verweerder schriftelijk verweer te voeren en verweerder te vertegenwoordigen bij de mondelinge behandeling door de rechtbank.
1.4.
Het beroep van verzoeker is op 3 oktober 2018 op de zitting behandeld. Verzoeker is daarbij in persoon verschenen. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde
mr. M.A.T.L. Thijssen. Deze werd bijgestaan door ing. [naam medewerker provincie] van de provincie, [naam bodemdeskundige] , bodemdeskundige, [naam taxateur] , taxateur en ing. [naam medewerker kadaster] van het Kadaster. Namens belanghebbende Waterschap Brabantse Delta is verschenen [naam medewerker Waterschap Brabantse Delta] .
1.5.
Na de behandeling is uitspraak bepaald.

2.De LGR

2.1.
Het individuele overzicht LGR dat betrekking heeft op verzoeker, is aan deze beschikking gehecht.

3.De beoordeling

Vooraf: het beroep op niet-ontvankelijkheid

3.1.
Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek omdat de gronden van het verzoek na sluiting van de beroepstermijn zijn ingediend.
3.2.
De rechtbank overweegt daarover als volgt.
3.2.1.
Artikel 69 Wilg Pro bepaalt dat beroep dient te worden ingesteld tegen de LGR door indiening van een verzoekschrift als bedoeld in artikel 261 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Artikel 69 bepaalt Pro ook dat de artikelen 6:2, 6:7 tot en met 6:20 en 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van overeenkomstige toepassing zijn. Dat betekent dat het verzoekschrift moet worden ingediend binnen de in artikel 6:7 Awb Pro genoemde termijn van zes weken. De overige bepalingen van hoofdstuk 6 Awb zijn niet van toepassing. Dat betekent dat er op grond van de toepasselijke bepalingen geen mogelijkheid is voor het instellen van een pro forma beroep en herstel van verzuim van de vereisten in artikel 6:5 Awb Pro (waaronder de bepaling dat het beroepschrift de gronden daarvan moet bevatten). Op grond van het bepaalde in artikel 278 Rv Pro dient in het verzoekschrift te zijn omschreven het verzoek en de gronden waarop het berust. Een herstelregeling (zoals opgenomen in artikel 6:6 Awb Pro) ten aanzien van het bepaalde in artikel 278 Rv Pro is er niet.
3.2.2.
De rechtbank heeft verzoeker toch -onder verwijzing naar de van toepassing zijnde regelgeving- de mogelijkheid geboden zijn verzoekschrift aan te vullen binnen een door de rechtbank bepaalde korte termijn (na sluiting van de beroepstermijn). De reden hiervan is dat verzoeker een zwaarwegend belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn verzoekschrift, terwijl het verzuim kon worden hersteld zonder nadelige gevolgen voor verweerder. Voorts is meegewogen dat in de praktijk is gebleken dat het deels wel en deels niet van toepassing zijn van de bepalingen in de Awb misvatting omtrent de geldende processuele bepalingen in de hand heeft gewerkt.
3.3.
De rechtbank ziet dan ook geen reden om terug te komen op de beslissing om aan verzoeker een herstelmogelijkheid te bieden en verwerpt daarom het beroep op niet-ontvankelijkheid.
Beoordeling van de grieven
Grief 1 en Grief 3
3.4.
Op de zitting hebben verzoeker en verweerder overeenstemming bereikt over de waarde van de door verzoeker ingebrachte grond ten behoeve van de EVZ die is toegewezen aan Waterschap Brabantse Delta en de vergoeding van de extra kosten die verzoeker heeft gemaakt in verband met de aanleg van een nieuwe drainage door de EVZ. Partijen zijn het erover eens dat de waarde van genoemde grond moet worden bepaald op € 8,00 per m² en dat voor de vergoeding van de extra kosten in verband met drainage een bedrag van
€ 2.750,00 moet worden opgenomen in de LGR.
3.5.
Deze grieven zijn dan ook gegrond.
Grief 2
3.6.
Op de zitting is komen vast te staan dat op verzoek van verzoeker en zijn vader een grenscorrectie (tussen aan hen toegedeelde percelen) heeft plaatsgevonden. Resultaat daarvan was dat verzoeker werd onderbedeeld. Die onderbedeling is verrekend in de LGR. Ook daarover bestaat geen geschil.
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat ook de inkomensschade die hij lijdt als gevolg van de onderbedeling dient te worden vergoed.
3.7.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er geen reden is om inkomensschade als gevolg van de onderbedeling te vergoeden nu deze onderbedeling het gevolg is van een grenscorrectie die uitsluitend op eigen verzoek van verzoeker en zijn vader heeft plaatsgevonden. Niet in te zien valt waarom deze schade, die door de gezamenlijke eigenaren moet worden opgebracht, voor vergoeding in aanmerking komt.
3.8.
De grief zal dan ook ongegrond verklaard worden.
Grief 4
3.9.
Verzoeker stelt dat de onkruiden die op de naastgelegen EVZ staan voor hem een enorme schadepost opleveren. Hij verwijst in zijn aanvullend verzoekschrift naar een deskundigenrapport van Schipper Accountants. De rechtbank gaat ervan uit dat gedoeld wordt op het als bijlage 3 bij het aanvullend verzoekschrift overgelegde rapport. Daarin is de (inkomens)schade als gevolg van onkruidbestrijding over een periode van 10 jaar berekend op een bedrag van € 115.261,00.
3.10.
Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat verzoeker in dit onderdeel van zijn verzoek niet-ontvankelijk is omdat dit een nieuw bezwaar is. Anders dan verzoeker stelt, is, aldus verweerder, in de ingediende zienswijze geen schadeclaim ter zake van inkomensschade in verband veronkruiding naar voren is gebracht.
Subsidiair stelt verweerder, kort gezegd, dat de veronkruiding moet worden beschouwd als een normaal maatschappelijk of bedrijfsrisico en de geclaimde schade bovendien disproportioneel is.
3.11.
De rechtbank laat de vraag of de schade onderdeel was van de ingediende zienswijze onbesproken omdat de rechtbank van oordeel is dat het bezwaar ongegrond is. Daartoe wordt het volgende overwogen.
3.12.
De door Schipper berekende schade is gebaseerd op onkruidbestrijding op de gehele kavel (cultuurgrond) met een oppervlakte van 03.07.75 ha. Het rapport gaat uit van 20 uur extra arbeid per week gedurende 26 weken per jaar om het gehele perceel onkruidvrij te houden en van de aanschaf van een schoffelmachine van € 25.000,00.
Door verzoeker is niet weersproken dat de EVZstrook is ingezaaid met een kruidengrasmengsel dat bijdraagt aan bioderversiteit. Ook is op de zitting komen vast te staan dat in de nabijheid van het perceel van verzoeker, buiten het blok gelegen naast de A16 en de HSLlijn, nog een EVZstrook ligt die is ingezaaid met een kruidengrasmengsel. Een dergelijke inrichting kan in beginsel door elke eigenaar/buurman worden toegepast. De rechtbank acht het bovendien onwaarschijnlijk, en dat wordt door verweerder betwist en door verzoeker ook niet onderbouwd, dat (over)last wordt ondervonden over het gehele perceel en dat dit uitsluitend dan wel voornamelijk onkruiden betreft die van de EVZstrook die grenst aan het perceel van verzoeker overwaaien, terwijl bij de berekening van het (enorme) schadebedrag in het rapport daar wel van wordt uitgegaan.
Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat sprake is van dermate grote overlast als gevolg van de onkruiden op de naastgelegen EVZstrook, dat die niet geacht kan worden te vallen onder het normaal maatschappelijk en/of bedrijfsrisico.
3.13.
De grief zal daarom ongegrond verklaard worden.
Grief 5
3.14.
Verzoeker wenst een vergoeding voor buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten, waaronder de kosten voor de door hem ingeschakelde deskundigen.
De rechtbank overweegt ter zake daarvan als volgt.
3.14.1.
Hoewel in het verzoekschrift is aangekondigd dat voorafgaand aan de zitting een specificatie zou worden ingebracht, heeft verzoeker geen specificatie of facturen overgelegd.
3.14.2.
Voor zover verzoeker bedoelt (ook) vergoeding te vragen voor juridische en deskundige bijstand in de zienswijzefase, is deze niet toewijsbaar. De LGR is een besluit dat wordt voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in artikel 3.4 Awb, waarin geen plaats is voor een vergoeding van die kosten.
3.14.3.
Zoals uit het bovenstaande volgt is het ingestelde beroep van verzoeker deels gegrond, namelijk voor zover het de grieven 1 en 3 betreft. Daarin ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank begroot de kosten op
€ 291,00 griffierecht en € 271,50 salaris gemachtigde.
3.14.4.
De kosten van deskundige Schipper Accountants komen naar het oordeel van de rechtbank niet voor vergoeding in aanmerking omdat hetgeen in het deskundigenrapport van Schipper naar voren is gebracht voor de beoordeling van het beroep van verzoeker, zoals is overwogen in rechtsoverweging 3.12., niet relevant is gebleken.
Omdat verzoeker niet heeft aangegeven op welk bedrag aanspraak gemaakt wordt met betrekking tot de kosten van deskundige Staal, en de inhoud van dat rapport bij de behandeling van de daarop gebaseerde grief niet in overwegende mate relevant is gebleken, zal de rechtbank het ter zake daarvan toe te wijzen bedrag in redelijkheid vaststellen op
€ 250,00.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
verklaart het beroep gegrond voor zover het de grieven 1 en 3 betreft,
4.2.
bepaalt dat ten aanzien van verzoeker de lijst der geldelijke regelingen dient te worden gewijzigd in die zin dat de waarde van de door verzoeker ingebrachte grond die is toegewezen aan Waterschap Brabantse Delta wordt vastgesteld op € 8,00 per m²,
en voor de vergoeding van de extra kosten in verband met drainage een bedrag van
€ 2.750,00 wordt opgenomen,
4.3.
veroordeelt verweerder in de (proces)kosten van verzoeker, begroot op € 812,50,
4.4.
verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.K.B. van Daalen en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2018.