In deze civiele procedure tussen eiser en gedaagde over een onrechtmatige daad en het causale verband met geleden schade, heeft gedaagde verzocht om tussentijds hoger beroep toe te staan tegen beslissingen in het tussenvonnis van 12 september 2018. Gedaagde stelde dat de eindbeslissingen in het tussenvonnis ook in vergelijkbare zaken negatieve gevolgen hebben en dat het in het algemeen belang is om spoedig duidelijkheid te verkrijgen over de eisen aan deskundigenonderzoek.
De rechtbank overwoog dat het uitgangspunt is dat hoger beroep gelijktijdig met het eindvonnis wordt ingesteld en dat de aangevoerde redenen onvoldoende zijn om hiervan af te wijken. Het belang dat gedaagde aanvoerde, is vooral het belang van diens verzekeringsmaatschappij en niet van partijen zelf. Bovendien zou tussentijds hoger beroep leiden tot onwenselijke vertraging.
Daarom wees de rechtbank het verzoek af en verwees de zaak naar de rol voor verdere proceshandeling aan de zijde van eiser. De rechtbank hield iedere verdere beslissing aan en sprak het vonnis uit op 28 november 2018.