De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 1 maart 2018 het verzoek om een voorlopige voorziening tegen een verkeersbesluit van 16 januari 2018 waarbij een spoorwegovergang werd afgesloten voor gemotoriseerd verkeer. Verzoeker woont nabij de spoorwegovergang en stelde dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid, onvoldoende gemotiveerd en de alternatieve routes onveilig en onpraktisch zijn.
De rechtbank erkende het spoedeisend belang van verzoeker maar oordeelde dat het verkeersbesluit terecht was genomen op grond van artikel 15, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. De gemeente had aannemelijk gemaakt dat het besluit de verkeersveiligheid verbetert, mede door het voorkomen van valincidenten van fietsers en het creëren van een haakse oversteek. De alternatieve routes zijn redelijk en veilig bevonden.
Hoewel het besluit summier was gemotiveerd, was er geen sprake van een onredelijke belangenafweging. Verweerder moet in het nog te nemen besluit op bezwaar nader motiveren hoe de belangen zijn afgewogen en de veiligheid is geborgd. De rechtbank zag geen reden de voorlopige voorziening toe te wijzen en wees het verzoek af.