Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 maart 2019 in de zaak tussen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, Uwv
Procesverloop
Overwegingen
9. De wet zegt daarover (in artikel 7:629, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, BW) het volgende. De werkgever moet het loon van de werknemer gedurende 104 weken doorbetalen als de werknemer de bedongen arbeid niet kon verrichten omdat hij ziek is.
Conclusie
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 2 mei 2018;
- herroept het besluit van 27 februari 2018 voor zover daarbij is bepaald dat eiseres gedurende 104 weken een loondoorbetalingsverplichting heeft en voor zover daarbij is bepaald dat de inkomsten van de werknemer van € 2.642,97 in mindering worden gebracht op het WIA-maandloon;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 2 mei 2018;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van de erfgenamen tot een bedrag van € 768,–;
- bepaalt dat het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht van € 338,– vergoedt.