Op 9 januari 2019 stak verdachte met twee keukenmessen haar dochter in de borststreek en linker bovenarm, waarbij het slachtoffer meerdere steekwonden opliep. De rechtbank acht poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen op basis van verklaringen van het slachtoffer, getuigen en politieverslagen.
De rechtbank concludeert dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het om het leven brengen van haar dochter, gezien de ernst van de verwondingen en de omstandigheden waaronder zij met messen achter haar dochter aanliep. Verdachte heeft een posttraumatische stress-stoornis, een persoonlijkheidsstoornis en een alcoholverslaving, waardoor het feit haar in verminderde mate kan worden toegerekend.
De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 30 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaar. Aan het voorwaardelijke deel zijn bijzondere voorwaarden verbonden, waaronder een klinische behandeling in een afkickkliniek, ambulante behandeling, alcoholverbod en begeleid wonen. Daarnaast wordt verdachte verplicht niet op hetzelfde adres als het slachtoffer te verblijven.
De vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding wordt toegewezen tot een bedrag van €5.117,51, waarvan €5.000,- immateriële schadevergoeding. De rechtbank wijst een deel van de materiële schade toe en verklaart de rest van de vordering niet ontvankelijk wegens onvoldoende onderbouwing.
De in beslag genomen messen worden verbeurd verklaard. De straf en voorwaarden zijn gericht op hulpverlening en bescherming van het slachtoffer, met een nadruk op langdurige behandeling en toezicht.