Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
einduitspraak van de meervoudige kamer van 8 mei 2019 in de zaak tussen
[eisers] , te [woonplaats] , eisers
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne, verweerder
ir. M. Frankenmolen en mw. Van Buren).
[bedrijf] ., te [vestigingsplaats] , (gemachtigde: mr. R.G.J. Deuss).
Procesverloop
Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] en
, bijgestaan door haar gemachtigde.
Overwegingen
In de tussenuitspraak is verweerder in de gelegenheid gesteld alsnog te beoordelen of het transportbedrijf (met de huidige omvang en bedrijfsvoering) een beroep kan doen op het overgangsrecht van het geldende bestemmingsplan.
23 november 1982 blijkt dat het transportbedrijf toen ook al op de locatie aanwezig was. Verder is in 1999 tijdens een milieucontrole vastgesteld dat ten opzichte van de milieuvergunning uit 1996 geen wijzigingen en/of uitbreidingen binnen de inrichting hebben plaatsgevonden. Ook uit het bestemmingsplan “Helenaveen” uit 1997 kan worden opgemaakt dat het transportbedrijf in die tijd al aanwezig was. Voorts wijst verweerder erop dat op de luchtfoto’s van 1993, 1996, 2008, 2009, 2015, 2016 en 2017 is te zien dat op het voorterrein van de locatie de inrit en parkeervoorziening aanwezig zijn en dat op het achterterrein het parkeren/stallen van vrachtwagens/opleggers en auto’s plaatsvindt en de opslag van materialen. Ten slotte geeft verweerder een overzicht van de in dit geval relevante bepalingen van het nu geldende bestemmingsplan ter plaatse van de locatie [adres] en de daaraan voorafgaande bestemmingsplannen.
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank met de overgelegde foto’s en de bestemmingsplanhistorie aannemelijk gemaakt dat het met het plan strijdige gebruik dat op de peildatum, het van kracht worden van het bestemmingsplan “Kom Helenaveen 1e herziening” in april 2008, plaatsvond, nadien ononderbroken is voortgezet en het strijdige gebruik niet is vergroot. Uit de foto’s kan worden opgemaakt dat de omvang van de inrit en het tot “Wonen-Cultuurhistorische waarde” bestemde deel van het perceel waarop ten behoeve van het bedrijf wordt geparkeerd in de loop der jaren niet is vergroot. Verder blijkt uit de foto’s niet dat hiervan een intensiever gebruik wordt gemaakt in de loop der jaren.
Dit betekent dat het strijdige gebruik beschermd wordt door het overgangsrecht, zodat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij niet bevoegd was om handhavend op te treden. Het verzoek om handhaving is daarom terecht afgewezen.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,00 aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van