Eiser, van Turkse afkomst en met Nederlandse nationaliteit, was in 2008 naar Marokko geëmigreerd en keerde in 2017 met zijn gezin terug naar Nederland, waar hij boven het eetcafé van zijn broer ging wonen. Omdat deze woning niet passend was voor zijn gezin, woonde zijn vrouw met kinderen illegaal elders. Eiser verzocht op 20 juni 2018 om een urgentiebeschikking voor passende huisvesting, welke het college Helmond afwees op grond van de Huisvestingsverordening 2016.
Het college oordeelde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor urgentie, omdat de situatie mede door eigen keuze en verwijtbare schuld was ontstaan en er geen sprake was van een schrijnende situatie die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt. Eiser stelde dat hij gezondheidsproblemen had en dat de zorg voor zijn verstandelijk beperkte dochter een dringende terugkeer naar Nederland vereiste. Ook stelde hij dat hij niet in staat was vanuit Marokko adequaat woonruimte te regelen.
De rechtbank overwoog dat eiser zich had moeten vergewissen van de geschiktheid van de woning boven het café en dat het niet passend zijn van deze woning hem wel degelijk kan worden verweten. De hardheidsclausule werd terughoudend getoetst en het college had terecht geoordeeld dat er geen sprake was van acuut dreigende dakloosheid of medische/sociale problematiek die urgentie rechtvaardigt. Het beroep werd ongegrond verklaard.