Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
SHE 19/1154
SHE 19/1211
SHE 19/1382
[verzoekers] , te [woonplaats] , verzoekers
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eersel, verweerder
[vergunninghouder](vergunninghouder),
te [woonplaats]
(gemachtigde: mr. W. Krijger).
Procesverloop
[adres 1] . Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt bij verweerder. Tevens hebben zij op 23 februari 2019 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
.Tevens hebben zij de voorzieningenrechter op 23 februari 2019 verzocht om in verband hiermee een voorlopige voorziening te treffen.
Bij (bestreden) besluit van 24 april 2019 heeft verweerder het bezwaar van verzoekers tegen de bij besluit van 13 november 2018 verleende omgevingsvergunning ongegrond verklaard. Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van het besluit van 13 november 2018 geldt op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
Het onderzoek ter zitting in deze zaken heeft plaatsgevonden op 16 mei 2019. Verzoeker [naam 1] is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook derde-partij is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote en bijgestaan door zijn gemachtigde.
Overwegingen
De bouwlocatie [adres 1] ligt op de (voormalige) locatie [adres 1] , waar voorheen de intensieve veehouderij van de familie [naam 2] was gevestigd. Verzoekers wonen op het adres [adres 2]
30 augustus 2017 het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening [adres 1] ” vastgesteld. De bouwlocatie heeft hierin - voor zover van belang - de enkelbestemming “Wonen” en de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie-3”. Dit bestemmingsplan is onherroepelijk.
Op 6 maart 2018 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan “Buitengebied 2017” vastgesteld. Hiertegen is - onder meer - door verzoekers beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waarop nog niet is beslist. Op
3 juli 2018 heeft de gemeenteraad het herstelbesluit bestemmingsplan “Buitengebied 2017” genomen, waarmee de bouwregeling voor de locatie [adres 1] uit het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Donk 2-4” integraal is overgenomen.
31 maart 2017 heeft plaatsgevonden is volgens het advies van 25 april 2017 niet uitgevoerd volgens het PvE en moet opnieuw worden gedaan. Verweerder dient de uitkomsten van het vervolgonderzoek te betrekken in de bezwaarprocedure tegen de omgevingsvergunning voor de woning [adres 1] en in dat kader zo nodig voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning voor het behoud van archeologische resten. Verder vragen zij in hun brief van 19 februari 2019 de verlening van andere omgevingsvergunningen voor de (voormalige) locatie [adres 2] op te schorten totdat duidelijk is dat archeologische vondsten zijn veiliggesteld of maatregelen moeten worden genomen bij de bouw van de woningen op deze locatie.
Niet tijdig beslissen op het verzoek van 19 februari 2019
19 februari 2019 een handhavingsverzoek bevat. In deze brief is evenmin verzocht om het opleggen van een bouwstop. De voorzieningenrechter concludeert dan ook dat geen sprake is van een aanvraag om een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb te nemen, zodat het voor verzoekers niet mogelijk was om beroep in te stellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 6:12 van Pro de Awb.
De omgevingsvergunning voor bouwen
13 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW8140) een objectief en actueel belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- wijst het daarmee samenhangende verzoek om voorlopige voorziening af;
- vernietigt het bestreden besluit van 24 april 2019;
- verklaart het bezwaar van verzoekers tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van
- wijst het daarmee samenhangende verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat verweerder aan verzoekers het betaalde griffierecht met een totaalbedrag van € 348,00 vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00.