De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van strafbare voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet, gericht op de invoer van Apaan, een grondstof voor amfetamineproductie, in de periode van april tot augustus 2012.
De rechtbank oordeelde dat het niet vereist is dat onomstotelijk vaststaat dat de bestelde stof daadwerkelijk Apaan was, zolang de intentie op de productie van synthetische drugs gericht was en voorbereidingshandelingen zijn verricht. Verdachte heeft een bedrijf opgericht dat diende als dekmantel voor de bestelling en invoer van Apaan, en handelde in nauwe samenwerking met medeverdachten. Hoewel verdachte ontkende wetenschap van de criminele bestemming, concludeerde de rechtbank dat hij in voorwaardelijke opzet handelde.
Vanwege het excessieve tijdsverloop van ruim vier en een half jaar en de overschrijding van de redelijke termijn, legde de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden op met een proeftijd van 1 jaar. Hiermee wordt zowel de ernst van het feit benadrukt als rekening gehouden met het langdurige procesverloop.