Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
einduitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juli 2019 in de zaak tussen
Coöperatie van Eigenaars in het Winkelcentrum De Helftheuvel U.A., te 's-Hertogenbosch, eiseres
[naam](vergunninghouder), te ’s-Hertogenbosch.
Procesverloop
Overwegingen
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het door verweerder gehanteerde uitgangspunt van 400 personen bij de drukste bezetting onvoldoende is onderbouwd, nu in de aanvraag niet is opgenomen dat er bij een dienst in de moskee geen andere activiteiten zullen plaatsvinden in het pand en ook in de vergunning niet is geborgd dat moskee-activiteiten en andersoortige activiteiten niet tegelijkertijd zullen plaatsvinden.
Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat haar niet inzichtelijk is geworden of de
12 bestaande parkeerplaatsen aan de [straat naam] nodig zijn om aan de parkeerbehoefte te voldoen en zo ja, of er dan sprake is van onbenutte capaciteit.
Verder heeft verweerder gesteld dat ten aanzien van de overige activiteiten in het cultureel verschijnsel een beoordeling is gegeven op basis van de bij die activiteiten behorende richtlijnen en rekening houdend met de aanwezigheidspercentages behorende bij die activiteiten. Volgens verweerder blijkt daaruit dat ruim voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn. Tot slot heeft verweerder aangegeven dat het wegens werkzaamheden niet mogelijk is geweest om tellingen te houden op vrijdagen tijdens het moment van de hoogst gevraagde parkeercapaciteit, maar dat uit twee onderzoeken op woensdag (lees: dinsdag)
6 februari 2018 en dinsdag (lees: maandag) 12 maart 2018 kan worden opgemaakt dat op deze dagen overdag geen sterke behoefte is aan de nu bestaande 12 parkeerplaatsen. Verweerder heeft dit gebaseerd op het feit dat op deze twee dagen de toen beschikbare parkeerplaatsen aan de zijde van de [straat naam] , zijnde drie à vier plaatsen, weliswaar bezet waren, maar dat in de [straat naam] , die pal om de hoek ligt, geen voertuigen waren geparkeerd. Volgens verweerder mogen de 24 nieuw aan te leggen parkeerplaatsen aan de [straat naam] dan ook volledig worden meegenomen in de berekeningen. Deze parkeerplaatsen zijn, aldus verweerder, alleen nodig voor de opvang van de grootste capaciteitsvraag gedurende de moskee-uren.
Wat de 12 bestaande parkeerplaatsen aan de [straat naam] betreft stelt eiseres dat verweerder zijn conclusie dat op dinsdagen en woensdagen overdag geen sterke behoefte is aan deze parkeerplaatsen niet kan baseren op het veel te beperkte onderzoek op
6 februari 2018 en 12 maart 2018. Verweerder had op meerdere dagen en op meerdere tijdstippen onderzoek moeten doen, waarbij zij opmerkt dat de Schutskampstraat vanwege de beperkte breedte helemaal niet geschikt is voor langsparkeren, zodat het niet verwonderlijk is dat daar geen auto’s zijn aangetroffen op beide dagen. Overigens wordt tijdens de dienst op vrijdagmiddag in de Schutskampstraat wel volop (deels) op de stoep geparkeerd, aldus eiseres. Ten slotte merkt eiseres op dat de parkeerplaatsen niet enkel nodig zijn voor de opvang van de grootste capaciteitsvraag gedurende de moskee-uren. De parkeerplekken zijn nodig om aan de parkeernorm te voldoen. Nu de overige activiteiten nog niet in kaart zijn gebracht, weet verweerder volgens eiseres ook niet wat de grootste capaciteitsvraag is en wanneer deze vraag er is.
450 personen.
Verder valt uit de nadere motivering en de daarbij meegestuurde stukken te herleiden dat wat de overige activiteiten in de moskee en de daarbij behorende parkeernorm betreft aansluiting is gezocht bij de functies ‘ROC’, ‘Congresgebouw’ en ‘kantoor’. Dit komt de rechtbank, gezien de omvang van de ruimtes en de functie van het gebouw, niet onredelijk voor. Uit de bijlagen volgt dat de overige niet-moskee activiteiten leiden tot een parkeerbehoefte van 15,491 parkeerplaatsen. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Op dit punt heeft verweerder het gebrek in het bestreden besluit genoegzaam hersteld.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,00 aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
mr. A.G.M. Willems, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 5 juli 2019.