Eisers hadden een bouwstop opgelegd gekregen voor de bouw van een luchtkanaal en luchtwasser op hun perceel. De rechtbank stelt vast dat de bouwvergunning eerste fase voor deze bouwwerken op 23 mei 2013 was verleend, maar dat eisers geen bouwvergunning tweede fase hebben aangevraagd binnen de daarvoor geldende termijn van twee jaar. Hierdoor was de eerste fase vergunning vervallen op 4 juli 2015.
Eisers voerden aan dat de bouwvergunning niet nodig was omdat de luchtwasser vergunningvrij zou zijn volgens het Besluit omgevingsrecht (Bor) en dat zij al vóór 1 november 2014 met de bouw waren begonnen. De rechtbank oordeelt dat voorbereidende werkzaamheden en aankoop van materialen niet gelijk staan aan daadwerkelijke bouw en dat de wijziging van het Bor per 1 november 2014 wel degelijk van toepassing is.
Ook het beroep op opgewekt vertrouwen faalt omdat de vergunningaanvraag tweede fase alleen betrekking had op stal 3 en niet op de luchtwasser en het luchtkanaal bij stal 1. De rechtbank concludeert dat het handhavend optreden niet onevenredig is en dat het ontbreken van een omgevingsvergunning voor bouwen terecht is vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat de revisievergunning uit 2013 alleen in werking kan zijn getreden als er een bouwvergunning was verleend voor alle bouwactiviteiten. Omdat de bouwvergunning voor de luchtwasser en het luchtkanaal niet volledig was, kan de revisievergunning mogelijk niet in werking zijn getreden, maar deze vraag valt buiten de reikwijdte van het geding.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Oost-Brabant op 8 juli 2019 en het beroep wordt ongegrond verklaard.