ECLI:NL:RBOBR:2019:4087
Rechtbank Oost-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening intrekking bijstandsuitkering en terugvordering
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven waarin zijn recht op bijstand per 12 april 2019 is ingetrokken en een bedrag van €7.701,12 is teruggevorderd. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overwoog dat het intrekken van de uitkering per 1 september 2018 geen spoedeisend belang oplevert omdat het een wijziging betreft over een periode in het verleden. Ook de terugvordering leidt niet tot een acute financiële noodsituatie, mede omdat verzoeker bescherming geniet via de beslagvrije voet en mogelijkheden heeft tot gespreide betaling.
Verzoeker stelde dat hij door de beëindiging van de uitkering niet in zijn basisvoorzieningen kan voorzien en schulden opbouwt. De voorzieningenrechter achtte dit geen acute noodsituatie, mede omdat verzoeker een nieuwe aanvraag om bijstand heeft ingediend en rechtsmiddelen openstaan tegen mogelijke afwijzing.
Gelet op het ontbreken van een spoedeisend belang werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering en terugvordering is afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.