Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2019 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
Rechtbank Oost-Brabant
Eiseres ontving vanaf 9 februari 2010 een loongerelateerde WGA-uitkering die vanaf 9 december 2012 werd omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. Na een herbeoordeling door verweerder is vastgesteld dat eiseres per 25 januari 2016 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor haar WIA-uitkering per 28 november 2016 werd beëindigd. Desondanks heeft verweerder onverschuldigd uitkeringen betaald over de periode van 28 november 2016 tot en met 28 februari 2018 ter hoogte van € 21.091,43 bruto.
Verweerder vorderde dit bedrag terug, wat eiseres betwistte met het argument dat zij door een fout van verweerder recht had op de uitkering en dat zij psychische klachten had die een dringende reden tot kwijtschelding vormden. Ook stelde zij dat zij door deze fout geen IOAW-uitkering kon ontvangen en daardoor geen inkomen kon genereren.
De rechtbank oordeelde dat het feit dat de betalingen onverschuldigd waren, vaststaat en dat de wettelijke verplichting tot terugvordering niet afhangt van de kennis of aanname van eiseres over haar recht op uitkering. De verwijzing naar een besluit van 1 maart 2018 kon niet baten omdat dit na de terugvorderingsperiode dateert. Er zijn geen dringende redenen aangetoond die terugvordering onaanvaardbaar maken. Psychische impact en financiële situatie kunnen bij invordering worden meegewogen, maar vormen geen grond voor kwijtschelding.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van de onverschuldigde WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.