De rechtbank Oost-Brabant behandelde het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de vader over twee minderjarige kinderen die tegen hun wil in Somalië waren achtergelaten. De vader was eerder geschorst en de Stichting Jeugdbescherming Brabant was belast met de voorlopige voogdij.
De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd was ondanks het verblijf van de kinderen in Somalië, vanwege hun Nederlandse nationaliteit, eerdere gewone verblijfplaats in Nederland en de verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer. Het toepasselijke recht voor de inhoudelijke beoordeling was Nederlands recht, terwijl het Somalische recht gold voor de vraag of de vader gezag had verkregen.
De vader was volgens Somalisch recht de enige gezagsdrager. De rechtbank stelde vast dat de vader de kinderen onder valse voorwendselen naar Somalië had gebracht, waar zij traumatische ervaringen hadden ondergaan, waaronder mishandeling en uithuwelijking. De kinderen waren boos op vader en wilden hem niet meer zien.
Gezien de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen en het onvermogen van de vader om zijn opvoedingsverantwoordelijkheid te dragen, besloot de rechtbank het gezag van de vader te beëindigen en de Stichting Jeugdbescherming Brabant tot voogd te benoemen. De vader werd tevens veroordeeld om verantwoording af te leggen over het vermogen van de kinderen.