Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 augustus 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
D. van der Heijden-Gloudemans.
(met -1,27%). Deze beroepsgrond slaagt niet. Doel en strekking van de Wet WOZ brengen met zich dat de waarde van een onroerende zaak voor elk belastingtijdvak opnieuw wordt bepaald, aan de hand van feiten en omstandigheden die zich voordoen op of rond de waardepeildatum, met voorbijgaan aan de waarde die per een vorige waardepeildatum aan de onroerende zaak is toegekend. Een vergelijking met de vastgestelde WOZ-waarde toegekend per een eerdere waardepeildatum is in strijd met de uitgangspunten en methodiek van de Wet WOZ. Volgens de systematiek van de Wet WOZ moet verweerder de waarde van de woning onderbouwen door vergelijking met gerealiseerde verkopen van vergelijkbare woningen rond de waardepeildatum, met voorbijgaan aan de waarde die per een vorige waardepeildatum aan de onroerende zaak is toegekend. Aan de waardeontwikkeling van onroerende zaken in het algemeen of in de regio kan verder geen doorslaggevende betekenis worden toegekend voor de waardebepaling van een specifieke onroerende zaak. In beginsel mag worden aangenomen dat een waardedaling in de huizenmarkt verdisconteerd is in de op of rond de waardepeildatum gerealiseerde verkoopcijfers van de gebruikte vergelijkingsobjecten.
€ 6,80 per m2 hanteert. Nu verweerder slechts € 5 per m2 heeft gerekend, is dat volgens verweerder zeker niet te hoog. De rechtbank is van oordeel dat verweerder toereikend heeft gemotiveerd dat de waarde die hij heeft toegekend aan dit stuk grond, gezien de juridische bestemming, niet te hoog is. Waar eiser nog heeft gesteld dat hij dit stuk grasland ‘om niet’ verpacht, zodat deze grond is vrijgesteld van de OZB, passeert de rechtbank dit, reeds omdat eiser zijn standpunt niet heeft onderbouwd.
24 oktober 2018) en [adres] (verkocht op 1 november 2018).