ECLI:NL:RBOBR:2019:5006
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak voor schuld aan dodelijk verkeersongeval, wel veroordeling voor gevaarzetting
Op 29 september 2018 vond een verkeersongeval plaats op een smalle weg te Gemert waarbij een door verdachte bestuurde personenauto en een tegemoetkomende wielrenner betrokken waren. Het slachtoffer overleed op 3 oktober 2018 aan zijn verwondingen. Verdachte werd primair ten laste gelegd dat zij door roekeloos en onvoorzichtig rijgedrag het ongeval had veroorzaakt, subsidiair dat zij gevaar op de weg had veroorzaakt door onvoldoende aandacht en zicht.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bestond voor schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994, mede door het ontbreken van een verkeersongevalsanalyse, getuigen en exacte plaatsbepaling van de betrokkenen. Verdachte werd daarom vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.
Wel werd vastgesteld dat verdachte tijdelijk onvoldoende aandacht en zicht had en daardoor onvoldoende rechts hield, wat gevaarzetting opleverde in de zin van artikel 5 Wegenverkeerswet Pro 1994. Dit subsidiair ten laste gelegde werd bewezen verklaard. De rechtbank legde een geldboete van € 1.500,- op en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor zes maanden met een proeftijd van twee jaar, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de ernst van het feit.
Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van schuld aan dodelijk ongeval, maar veroordeeld voor gevaarzetting met geldboete en voorwaardelijke rijontzegging.