Eiseres ontving huishoudelijke hulp op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), maar verweerder beëindigde deze hulp per 1 januari 2015 omdat deze een algemene voorziening zou zijn geworden. Eiseres maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank oordeelde in 2016 dat de voorziening geen algemene voorziening was en dat de hulp moest worden voortgezet. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in 2018 en bepaalde dat de hulp tot 26 juli 2017 moest worden gecontinueerd.
Verweerder zette de Huishoudelijke Hulp Toelage (HHT) voort voor de periode van 27 juli tot 31 december 2017, maar verklaarde het bezwaar van eiseres ongegrond. Eiseres vorderde voortzetting van de maatwerkvoorziening en schadevergoeding voor de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2017. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en vernietigt het. De hulp wordt toegekend voor de periode 27 juli tot 31 december 2017.
De rechtbank verklaart zich onbevoegd over de schadevergoeding voor de periode tot 26 juli 2017, omdat dit nog bij de Centrale Raad van Beroep loopt. Voor de periode daarna wijst de rechtbank het verzoek af wegens onvoldoende onderbouwing van de schade. Eiseres heeft geen inzicht gegeven in gemaakte kosten en Wlz-indicatie, waardoor geen vergelijking mogelijk is. Verweerder moet het griffierecht vergoeden.