ECLI:NL:RBOBR:2019:5088

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
5 september 2019
Publicatiedatum
5 september 2019
Zaaknummer
19/2033
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bijstand Participatiewet wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de gemeente Eindhoven om haar aanvraag voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet buiten behandeling te stellen en het bezwaar ongegrond te verklaren.

Zij stelt dat zij al ongeveer een jaar geen inkomsten heeft en bij haar moeder woont die haar financieel onderhoudt, maar dat dit niet langer vol te houden is. De rechtbank oordeelt echter dat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een spoedeisend financieel belang dat onmiddellijke voorziening rechtvaardigt.

De behandeling van de hoofdzaak staat gepland medio november 2019, maar dit leidt niet tot een spoedeisend belang. Verzoekster heeft geen nieuwe bijstandsaanvraag ingediend en heeft niet onderbouwd dat haar moeder financieel niet langer kan bijspringen.

Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De inhoudelijke beoordeling van het bezwaar vindt plaats in de hoofdzaak. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van onverwijlde spoed.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 19/2033
uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 september 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. L.S.T.H. Ruijters),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, verweerder
(gemachtigde: mr. E.M. Vrijsen).

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een bijstandsuitkering ingevolge de Participatiewet (Pw) buiten behandeling gesteld.
Bij besluit van 9 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard, onder aanpassing van de motivering.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft op 1 augustus 2019 tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2019. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen.
3. Verzoekster heeft aangevoerd dat het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is gelegen in het feit dat de beroepszaak waarschijnlijk pas medio november 2019 of nog later plaatsvindt, terwijl verzoekster al ongeveer een jaar geen inkomsten heeft en vanaf 1 juli 2018 bij haar moeder inwoont en door haar wordt onderhouden. In dit verband verwijst verzoekster naar een verklaring van haar moeder van
1 juni 2019, waarin zij verklaart dat zij de noodzakelijke kosten van verzoekster voldoet sinds 1 juni 2018. Verzoekster geeft aan dat zij met haar zoontje noodgedwongen bij haar moeder inwoont, terwijl de kosten voor haar moeder verder oplopen en verzoekster geen recht heeft op kindgebonden budget en zorgtoeslag omdat het inkomen van haar moeder als zijnde toeslagpartner te hoog is. Niet verwacht kan worden dat haar moeder nog langer alle kosten voor haar rekening neemt. Het spaargeld van moeder begint ook op te raken.
4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is verzoekster er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat thans sprake is van een financieel spoedeisend belang – naar vaste rechtspraak: een financiële noodsituatie – bij het treffen van de door haar verzochte voorlopige voorziening. Dat de beroepszaak van verzoekster waarschijnlijk pas op zijn vroegst medio november 2019 wordt behandeld maakt op zichzelf niet dat sprake is van een spoedeisend belang.
5. Verzoekster woont bij haar moeder en wordt door haar (financieel) onderhouden. Verzoekster heeft niet onderbouwd dat haar moeder hiertoe financieel niet meer in staat is of op korte termijn hiertoe niet meer in staat zal zijn.
6. Verzoekster heeft het afgelopen jaar geen nieuwe bijstandsaanvraag ingediend. Ook dit gegeven duidt niet op een financiële noodsituatie.
7. Uit het vorenstaande volgt dat niet voldaan is aan de in artikel 8:81 van Pro de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek moet worden afgewezen.
In de beroepszaak zullen de door verzoekster aangevoerde inhoudelijke beroepsgronden tegen het bestreden besluit worden beoordeeld.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J.W. Hermans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T. Proudian, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 5 september 2019.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.