In het strafproces tegen verdachte is onderzocht of hij wetenschap had van het drugslaboratorium in een zeecontainer op zijn autodemontageterrein te Venlo, dan wel willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit laboratorium aanwezig was. Op 16 april 2018 werd een MDMA-laboratorium aangetroffen in een zeecontainer op het terrein van verdachte en zijn broer. Diverse chemicaliën en apparatuur werden in en rond de container en in een bakwagen op het terrein gevonden.
Verdachte verhuurde een deel van zijn terrein aan een Poolse huurder die de container plaatste, met schriftelijke afspraken dat de container niet voor drugsopslag bestemd was. Verdachte ontkende kennis van het drugslaboratorium en betrokkenheid bij de bakwagen. De rechtbank constateerde dat verdachte handelingen had verricht die als voorbereidingshandelingen konden worden gezien, maar dat het bewijs ontbrak dat hij wetenschap had van het drugslab of de chemische opslag.
Ondanks aanwijzingen zoals de sleutel van de container in de auto van de schoonzoon van verdachte en illegale water- en stroomaansluitingen, kon niet worden vastgesteld dat verdachte hiervan op de hoogte was. Ook de verhuur aan een onbekende Pool en het ontbreken van controles op de container vormden geen bewijs dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat er drugs werden geproduceerd.
De verklaringen van verdachte waren op sommige punten tegenstrijdig maar niet zodanig dat zij het bewijs van wetenschap versterkten. Gelet op het geheel van feiten en omstandigheden was er onvoldoende bewijs om verdachte te veroordelen. De rechtbank sprak verdachte vrij en hechtte eraan dat de voorlopige hechtenis werd opgeheven.