De werknemer, sinds 1989 in dienst bij Peijnenburg’s Koekfabrieken B.V., werd op 16 mei 2019 op staande voet ontslagen wegens het heimelijk meenemen van bedrijfseigendommen, waaronder koeken, een bezem en een trekker, zonder toestemming. Peijnenburg stelde dat dit gedrag het vertrouwen in de werknemer had doen vervallen, wat een dringende reden voor ontslag opleverde. De werknemer erkende het meenemen van goederen maar stelde dat dit gebeurde in het kader van sponsoring voor een vereniging en voetbalclub, en ontkende opzet tot diefstal.
De kantonrechter beoordeelde dat het ontslag op staande voet onverwijld was gegeven en dat Peijnenburg voldoende duidelijk had gemaakt welke gedragingen tot het ontslag hadden geleid. Echter, bij de belangenafweging, waarbij ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn bijna dertig jaar dienstverband, arbeidsongeschiktheid en de financiële gevolgen van het ontslag, werden meegewogen, concludeerde de rechter dat er geen dringende reden was voor onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
Peijnenburg verzocht daarnaast vergoeding van recherchekosten die waren gemaakt om de vermeende diefstallen te onderzoeken. De kantonrechter oordeelde dat deze kosten redelijk waren en toewijsbaar, ondanks het afwijzen van het ontslag op staande voet. De proceskosten werden gecompenseerd omdat partijen over en weer in het ongelijk werden gesteld.