Op 20 januari 2018 vonden in Eindhoven twee afzonderlijke confrontaties plaats waarbij verdachte en een medeverdachte betrokken waren. Verdachte werd beschuldigd van openlijk geweldplegen in vereniging tegen twee slachtoffers. De officier van justitie stelde dat verdachte en medeverdachte gezamenlijk geweld hadden gebruikt tegen de slachtoffers.
De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van gezamenlijke uitvoering van geweld, maar van twee gescheiden groepen en afzonderlijke confrontaties. Tijdens de zitting bleek dat verdachte en een van de slachtoffers elkaar een hand gaven na een woordenwisseling, waarna verdachte met anderen vertrok.
De rechtbank concludeerde dat onvoldoende bewijs bestaat voor een gezamenlijke uitvoering van geweld door verdachte en medeverdachte. Er was sprake van twee afzonderlijke vechtpartijen en geen wezenlijke bijdrage van verdachte aan het geweld van de medeverdachte. Daarom werd verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en veroordeeld in de kosten tot op heden begroot op nihil.