2.a In de (hoofd)zaak met rolnummer 14-200
2.a.1 In conventie
2.a.1.1 De primaire vraag in dit geschil is of een of meer van de gedaagden in de hoofdzaak en/of de vrijwaring een contractuele of buitencontractuele norm geschonden hebben, voor de gevolgen waarvan zij aansprakelijk zouden kunnen zijn.
2.a.1.2 Op basis van de getuigenverhoren of anderszins is niet gebleken dat er door de dakdekkers bij de uitvoering van het werk specifieke onverantwoorde handelingen zijn verricht, bijvoorbeeld door een vlam voor of te dichtbij de inlaat van de installatie te houden.
2.a.1.3 Dan resteert als mogelijke bron van aansprakelijkheid het vaststaande feit dat op het dak “gewoon” met open vuur gewerkt is, terwijl daar een al dan niet werkende installatie als de onderhavige aanwezig was. Indien dat aangemerkt zou moeten worden als een normschending, zou dat immers alsnog tot aansprakelijkheid kunnen leiden.
2.a.1.4 In het kader van het beroep van eisers op de “omkeringsregel” is van belang dat de deskundige ook zijn visie heeft gegeven op de in casu relevante normen en de mate van schending daarvan.
2.a.1.5 Blijkens het rapport van de deskundige is de NEN-norm niet geschonden, maar zijn de aanwijzingen van het BDA Dakboek dat wel. Toch komt de rechtbank niet tot het oordeel dat daarop aansprakelijkheid gebaseerd zou kunnen worden, dit op grond van het volgende.
2.a.1.6 Het BDA Dakboek bevat, naast door de dakdekkers te treffen maatregelen, ook, sub 6.2.1, de opmerking dat “Om (brand)risico’s bij het werken op daken te voorkomen … er tussen partijen die bij de werkzaamheden betrokken zijn goede en eenduidige afspraken (
dienen) te worden gemaakt. Het is van belang dat er geen zaken over het hoofd worden gezien….” en sub 6.2.3, “Aanvullingen (
op de door de dakdekkers in acht te nemen feiten) ten gevolge van bijzondere omstandigheden dienen per project te worden behandeld”. Een en ander wijst op minimaal medeverantwoordelijkheid van IFF voor het veilig uitvoeren van de werkzaamheden.
2.a.1.7 Voorts wijst de deskundige in zijn rapport op het “Besluit risico’s zware ongevallen” dat op IFF van toepassing zou zijn en haar gebiedt maatregelen te treffen ter voorkoming van zware ongevallen en haar verbiedt haar inrichting of een deel daarvan in werking te hebben wanneer de maatregelen niet zijn getroffen. Omtrent dit betoog van de deskundige hebben IFF en Zürich in hun conclusie na deskundigenbericht geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank dit als juist zal aannemen.
2.a.1.8 IFF heeft zich ook daadwerkelijk kenbaar voor gedaagden het belang van de veiligheid bij de onderhavige werkzaamheden aangetrokken en dagelijks, althans in ieder geval aan het begin van de dag van de brand, een vergunning, in casu een “Veiligheidsvergunning Heet werk” afgegeven, waarin sprake is van gevaar voor “brand/explosie”. Volgens het ten deze onbestreden rapport Gorissen ging dit aldus, dat “voor dat zij” (het personeel van Verhoeven Renovatie’s) “met de werkzaamheden konden beginnen, eerst door een medewerker van verzekeringneemster de werkvergunning voor die dag afgegeven” werd, die vervolgens ook nog door de voorman van de fabriek van het desbetreffende gebouw afgetekend werd. Volgens de deskundige had IFF in de “Veiligheidsvergunning heet werk” het filtermateriaal van de luchtbehandelingskast over het hoofd gezien toen zij, kenbaar voor de dakdekkers, verklaarde dat binnen een straal van 10 meter de omgeving vrij gemaakt was van brandbare materialen.
2.a.1.9 Deze gang van zaken tussen de professionele opdrachtgever en de uitvoerders van het werk impliceert dat de dakdekkers mochten aannemen dat er geen brandbare materialen rond de werklocatie en dus ook niet in de luchtbehandelingskast aanwezig waren en mochten aannemen dat voldoende voorzorgsmaatregelen getroffen waren en/althans dat de uit te voeren branderwerkzaamheden het uitschakelen van de installatie niet noodzakelijk maakten.
2.a.1.10 Onder deze omstandigheden kan gedaagden in de hoofdzaak en in de vrijwaring geen verwijt gemaakt worden dat tot aansprakelijkheid zou kunnen leiden.
2.a.1.11 In de hoofdzaak zullen de vorderingen van IFF en Zürich dus afgewezen worden met veroordeling van IFF en Zürich in de kosten van het geding.