ECLI:NL:RBOBR:2019:7251

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
18 december 2019
Publicatiedatum
13 december 2019
Zaaknummer
19/1460
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 HabitatrichtlijnArt. 2.8 Wet natuurbeschermingArt. 8:54 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging natuurvergunning wegens niet voldoen passende beoordeling PAS aan Habitatrichtlijn

De rechtbank Oost-Brabant deed uitspraak in een zaak waarin milieuverenigingen beroep instelden tegen een natuurvergunning verleend aan een veehouderij. De vergunning was gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS) en de daarbij behorende passende beoordeling.

De rechtbank overwoog dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een eerdere uitspraak (29 mei 2019) had geoordeeld dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt, niet voldoet aan artikel 6 van Pro de Habitatrichtlijn. Hierdoor kon de vergunning niet op die grondslag worden verleend.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit, en bepaalde dat de provincie eerst een nieuw ontwerpbesluit moet opstellen en ter inzage moet leggen. Tevens werd de provincie veroordeeld tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht en de proceskosten.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 19/1460

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: [naam] ),
en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, verweerder.

De rechtbank heeft
[naam], te [woonplaats] , aangemerkt als derde-partij in deze procedure.

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2019 heeft verweerder aan de derde-partij een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) verleend voor het exploiteren van een veehouderij aan de [adres] .
Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Overwegingen

1. De rechtbank doet na vereenvoudigde behandeling op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit vergunning verleend voor een activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt op stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Verweerder heeft daarbij toepassing gegeven aan het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (het PAS) en de daarbij behorende regelgeving die vanaf 1 juli 2015 van kracht is. De vergunning kan volgens verweerder worden verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is opgesteld. Met toepassing en uitvoering van het PAS is volgens verweerder gewaarborgd dat de stikstofdepositie die het exploiteren van de veehouderij zal veroorzaken, niet zal leiden tot een aantasting van de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden.
3. De strekking van het beroep is - kort gezegd - dat de vergunning niet kon worden verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt, omdat de passende beoordeling en het PAS niet voldoen aan artikel 6 van Pro de Habitatrichtlijn.
4. De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, heeft geoordeeld dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die uit artikel 6 van Pro de Habitatrichtlijn voortvloeien.
5. Het voorgaande betekent dat verweerder de vergunning voor het exploiteren van de veehouderij niet kon verlenen onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 2.8 van de Wnb.
6. Het beroep is kennelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.
7. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, kan verweerder voor het alsnog te nemen besluit op de aanvraag niet terugvallen op de eerder gevoerde procedure. Verweerder dient eerst een ontwerpbesluit op te stellen en ter inzage te leggen.
8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep kennelijk gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,00 aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 512,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op
18 december 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.