Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.De procedure
- het tussenvonnis van 20 december 2017 en de daarin genoemde processtukken;
- het proces-verbaal van comparitie van 3 april 2018 en de daarin genoemde processtukken;
- de brief van 20 april 2018 van de zijde van ASR met daarin haar opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal van comparitie;
- de akte uitlaten voortprocederen van 3 oktober 2018 van de zijde van ASR;
- de conclusie van repliek in conventie van 2 januari 2019;
- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van 8 mei 2019;
- de conclusie van dupliek in reconventie van 31 juli 2019.
2.De feiten
1)
8)
9)
10)
14)
3.Het geschil
in conventie
4.De beoordeling
in conventie en in reconventie
- a) er voorafgaande aan de behandeling geen diagnose is gesteld;
- b) het inzicht in de behandelmethode/doel/resultaat ontbreekt;
- c) de behandeling plaatsvond in klinische setting, terwijl daarvoor geen medische noodzaak bestond;
- d) er geen specialist (psychiater, klinisch psycholoog of psychotherapeut) betrokken was;
- e) de behandelmethode niet voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk;
- f) het aangeboden programma voor meer dan 80% van de tijd bestaat uit dagbesteding;
- g) er geen op de individuele behoeften afgestemd behandelprogramma is.
- bij de diagnostiek en behandeling van de verzekerde een specialist betrokken is, waarbij “specialist” is gedefinieerd met een limitatieve opsomming van drie beroepen: psychiater, klinisch psycholoog of psychotherapeut;
- er sprake dient te zijn van zorg zoals psychiaters/zenuwartsen en klinisch psychologen plegen te bieden;
- de zorg naar inhoud en omvang beantwoordt aan de stand van de wetenschap en praktijk, of, bij het ontbreken van een dergelijke maatstaf, aan hetgeen in het betrokken vakgebied geldt als verantwoorde en adequate zorg en diensten;
- een verzekerde op deze zorg naar inhoud en omvang redelijkerwijs is aangewezen.
5.121,00(3,00 punt × tarief € 1.707,00)
7.206,00(3,0 punten × factor 0,5 × tarief € 2.402,00)