ECLI:NL:RBOBR:2019:7771

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
29 augustus 2019
Publicatiedatum
9 maart 2020
Zaaknummer
7550180 19-1696
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 1 sub c Verordening 261/2004Art. 5 lid 3 Verordening 261/2004Art. 7 Verordening 261/2004Art. 16 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing compensatie wegens geannuleerde vlucht door staking cabinepersoneel

Eiser had een vlucht geboekt van Valencia naar Eindhoven die door Ryanair werd geannuleerd vanwege een staking van het cabinepersoneel op 28 september 2018. Eiser vorderde op grond van Verordening 261/2004 een compensatie van €250,00, stellende dat geen sprake was van buitengewone omstandigheden.

Ryanair voerde verweer dat de staking een buitengewone omstandigheid vormde waarop zij geen invloed had en dat zij redelijke maatregelen had genomen om annulering te voorkomen. De rechtbank oordeelde dat Ryanair niet voldoende had aangetoond dat zij daadwerkelijk geen invloed had op het voorkomen van de staking en dat per geval beoordeeld moet worden of sprake is van een buitengewone omstandigheid.

De rechtbank wees de compensatie toe en veroordeelde Ryanair tevens tot betaling van wettelijke rente en proceskosten. Het beroep op artikel 16 van Pro het Handvest van de grondrechten en eerdere uitspraken over andere stakingen waren onvoldoende om het oordeel te wijzigen.

De uitspraak bevestigt dat luchtvaartmaatschappijen een zware bewijslast hebben bij het aantonen van buitengewone omstandigheden en dat stakingen niet automatisch tot uitsluiting van compensatie leiden.

Uitkomst: Ryanair wordt veroordeeld tot betaling van €250 compensatie met wettelijke rente wegens geannuleerde vlucht door staking.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer : 7550180
Rolnummer : 19-1696
Uitspraak : 29 augustus 2019
Beschikking op grond van Verordening (EG) nr. 861/2007, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421, in de zaak van:
[eiser]
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. D.E. Lof,
tegen:
de vennootschap naar buitenlands recht
Ryanair DAC,
gevestigd te Swords, Co. Dublin, Ierland,
verweerster,
gemachtigde: mr. A.C.J. Houwers, Dirkzwager advocaten & notarissen N.V.

1.Het verloop van het geding

1.1.
Dit blijkt uit het volgende:
het vorderingsformulier A van de verordening (EG) nr. 861/2007 met producties;
het verweerschrift met producties;
conclusie van repliek;
conclusie van dupliek met productie;
de akte uitlating producties.
1.2.
Tot slot is een datum voor beschikking bepaald.

2.De feiten

Tussen partijen staat, voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende vast.
Eiser had een vlucht geboekt voor 28 september 2018 met vlucht FR1823 van Valencia, Spanje naar Eindhoven Airport, Nederland.
De vlucht is door verweerster geannuleerd.

3.Het geschil

3.1.
Eiser stelt het volgende. Aangezien vlucht FR1823 werd geannuleerd heeft hij op grond van Verordening 261/2004 (hierna de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ EU) inzake onder meer
[naam 1]en
[naam 2]recht op financiële compensatie van € 250,00. Van een buitengewone omstandigheid was geen sprake.
3.2.
Op grond van het voorgaande vordert eiser betaling van een hoofdsom van
€ 250,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 september 2018 en de proceskosten.
3.3.
Verweerster voert het volgende verweer. Er is sprake geweest van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening. Op 28 september 2018 staakte een deel van het cabinepersoneel. Deze staking is aan te merken als een buitengewone omstandigheid die niet inherent is aan de dagelijkse activiteiten van verweerster en zij had hier ook geen controle over. Zij heeft zich ingespannen om de staking te vermijden. Annulering kon ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet voorkomen worden.
3.4.
Primair verzoekt verweerster daarom de vordering af te wijzen met veroordeling van eisers in de proceskosten en nakosten. Subsidiair dienen bij een toewijzing van de hoofdsom de gevorderde wettelijke rente en de vordering voor (overige) kosten te worden afgewezen.
4. De beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt vast dat de vordering binnen het toepassingsbereik van de Europese procedure voor geringe vorderingen valt.
4.2.
Voorts wordt vastgesteld dat de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van het geschil. Meer specifiek is, gelet op het [naam 3] -arrest (LJN: BJ2979, Hof van Justitie EG/EU, 09-07-2009, C-204/08), de kantonrechter te Eindhoven bevoegd omdat de overeengekomen plaats van aankomst Eindhoven is.
4.3.
Beoordeeld dient te worden of verweerster terecht een beroep doet op artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening.
4.4.
Vooropgesteld wordt dat eiser in het onderhavige geval, op grond van artikel 5 lid 1 sub c van Pro de Verordening, in beginsel recht heeft op de in artikel 7 van Pro de Verordening genoemde compensatie van (in dit geval) € 250,00 per passagier.
4.5.
De luchtvervoerder is niet verplicht die compensatie te betalen indien er sprake is van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening.
4.6.
Verweerster heeft enkel aangevoerd dat zij op het moment van staking in onderhandeling was met de vakbonden, maar hieruit volgt niet per definitie dat de staking voor verweerster niet voorzienbaar was en ook niet dat verweerster er daadwerkelijk geen invloed op had om de staking te voorkomen.
4.7.
Dit betekent dat verweerster niet heeft aangetoond dat de annulering van vlucht FR1823 is veroorzaakt door een buitengewone omstandigheid. De uitspraken waar verweerster naar heeft verwezen, leiden niet tot een ander oordeel. Deze uitspraken betreffen een andere stakingen en de annulering van een andere vluchten. Ook het beroep op artikel 16 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, kan niet tot een ander oordeel leiden. Per geval dient immers te worden beoordeeld of sprake is van een buitengewone omstandigheid.
4.8.
Het beroep van verweerster op buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening, kan dan ook niet slagen. De vordering van eisers tot betaling van een compensatie van € 250,00 zal worden toegewezen.
4.9.
Tegen de gevorderde wettelijke rente is door verweerster geen afzonderlijk inhoudelijk verweer gevoerd, zodat deze zal worden toegewezen.
4.1
Verweerster wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

5.De beslissing

De kantonrechter:
veroordeelt verweerster om aan eisers te betalen de som van € 250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 28 september 2018 tot aan de dag van voldoening;
veroordeelt verweerster in de kosten van de procedure, aan de zijde van eisers tot heden vastgesteld op € 81,00 aan griffierecht en € 144,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast), met de wettelijke rente hierover vanaf de 15e dag nadat gedaagde partij schriftelijk tot betaling van deze kosten is aangemaand;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.J. Godrie, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2019.