ECLI:NL:RBOBR:2019:7816

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
12 september 2019
Publicatiedatum
23 november 2021
Zaaknummer
WR 19/024
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid en veiligheidsmaatregelen

In deze zaak diende een wrakingsverzoek tegen rechter E.J.M. Walstock-Krens in de rechtbank Oost-Brabant. Verzoeker stelde dat de rechter niet onbevooroordeeld kon oordelen, mede omdat tijdens de zitting één lid van de parketpolitie aanwezig bleef ondanks zijn bezwaar, en omdat de rechter het maken van geluidsopnamen van de zitting niet toestond.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarbij de onpartijdigheid van de rechter wordt vermoed tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aannemelijk maken. De rechter gaf aan dat de aanwezigheid van de parketpolitie en het verbod op geluidsopnamen dienden ter waarborging van de veiligheid en orde in de zittingszaal.

De wrakingskamer oordeelde dat er geen zwaarwegende aanwijzingen waren voor vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Ook was er geen sprake van een schijn van partijdigheid. De rechter heeft binnen haar bevoegdheid gehandeld door veiligheidsmaatregelen te treffen.

Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen. De wrakingskamer bestond uit voorzitter J.H. Wiggers en leden J.H.L.M. Snijders en W. Brouwer, en de beschikking werd op 12 september 2019 uitgesproken.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is afgewezen wegens ontbreken van gegronde aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Wrakingskamer
Zaaknummer: WR 19/024
Beschikking van 12 september 2019
in de zaak van
[verzoeker] ,
verzoeker,
tegen
mr. E.J.M. WALSTOCK-KRENS,
in haar hoedanigheid van rechter in de rechtbank Oost-Brabant bij de behandeling van de zaak met zaaknummer: C/01/348097 / JE RK 19-1023.
Partijen zullen hierna respectievelijk verzoeker en de rechter worden genoemd.

1.Procesverloop

1.1.
De wrakingskamer heeft kennisgenomen van:
  • het proces verbaal van de zitting in de hoofdzaak op 8 augustus 2019 met daarin opgenomen het wrakingsverzoek;
  • de schriftelijke reactie van de rechter van 14 augustus 2019 op het wrakingsverzoek;
  • het dossier in de hoofdzaak.
1.2.
De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2019.
Verzoeker is in persoon verschenen en heeft zijn wrakingsverzoek nader toegelicht.
De rechter is niet verschenen. In haar schriftelijke reactie heeft de rechter haar standpunt ten aanzien van het wrakingsverzoek naar voren gebracht. Zij was verhinderd om ter zitting te verschijnen.
De overige belanghebbenden in de hoofdzaak (Stichting Jeugdbescherming Brabant en mevrouw [naam] ) zijn uitgenodigd voor de zitting bij de wrakingskamer, maar niet verschenen.

2.Het verzoek en de reactie van de rechter

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de procedure met zaaknummer C/01/348097 / JE RK 19-1023. Verzoeker heeft in wezen betoogd dat de rechter niet onbevooroordeeld dit geschil kan beoordelen. Ter onderbouwing van het wrakingverzoek, heeft verzoeker - kort weergegeven - gewezen op de volgende feiten en omstandigheden.
Toen verzoeker de zittingzaal betrad voor de behandeling van de hoofdzaak, werd hij vergezeld door twee agenten van de parketpolitie. Verzoeker wilde niet dat er tijdens de zitting parketpolitie in de zaal aanwezig zou zijn. De rechter besloot echter dat één iemand van de parketpolitie aanwezig zou blijven. Volgens verzoeker was er een vooropgezet plan, zodat hij tijdens of na de zitting kon worden aangehouden.
Verder wilde verzoeker geluidsopnamen maken van de zitting, maar de rechter heeft dat niet toegestaan.
2.2.
De rechter heeft aangegeven niet in de wraking te berusten. Zij heeft daarbij aangevoerd, dat zij met de afwijzing van de twee verzoeken van verzoeker, haar rechterlijke onpartijdigheid niet heeft geschonden. Het niet gehoor geven aan de wens van verzoeker om buiten aanwezigheid van de parketpolitie te worden gehoord, was uitsluitend ingegeven ter borging van de veiligheid van de aanwezige personen ter zitting, aldus de rechter.

3.De beoordeling

3.1.
Ingevolge artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient te worden beoordeeld of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Hierbij stelt de wrakingskamer voorop dat de rechter uit hoofde van haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter met betrekking tot een procespartij vooringenomen is, althans dat de dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid is bij de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang.
3.2.
Van uitzonderlijke omstandigheden in voormelde zin is naar het oordeel van de wrakingskamer in het onderhavige geval geen sprake.
Als uitgangspunt geldt, dat de rechter verantwoordelijk is voor de veiligheid en de orde in de zittingzaal en dat zij met het oog daarop de maatregelen kan treffen die volgens haar nodig zijn. In de beslissingen van de rechter om parketpolitie in de zittingzaal aanwezig te laten zijn en om verzoeker niet toe te staan geluidsopnamen te maken, zijn daarom geen gegronde redenen voor wraking gelegen.
Ten slotte is (ook overigens) in de stellingen van verzoeker geen grond gelegen voor het oordeel dat de rechter een (objectiveerbare) schijn van partijdigheid heeft gewekt.
3.3.
Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer,
wijst af het verzoek tot wraking van mr. E.J.M. Walstock-Krens in de zaak met zaaknummer C/01/348097 / JE RK 19-1023.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Wiggers, voorzitter, mr. J.H.L.M. Snijders en mr. W. Brouwer, leden, en uitgesproken op 12 september 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.