Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2019:7821

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
7 november 2019
Publicatiedatum
23 november 2021
Zaaknummer
WR 19/030
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid in nalatenschapszaken

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. A.G.M.H. Bennenbroek, kantonrechter bij de rechtbank Oost-Brabant, vanwege vermeende partijdigheid in twee nalatenschapszaken. Verzoeker stelde dat de rechter en vereffenaar nauwe banden hadden, onder meer door gezamenlijke workshops, en dat eerdere onwelgevallige beslissingen reden waren voor wraking.

De rechtbank nam kennis van het schriftelijke wrakingsverzoek, de reactie van de rechter en aanvullende documenten, en behandelde het verzoek mondeling. De rechter berustte niet in het wrakingsverzoek. De rechtbank overwoog dat wraking alleen mogelijk is bij objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid, waarvoor concrete omstandigheden moeten worden aangevoerd.

De rechtbank oordeelde dat de gestelde omstandigheden onvoldoende waren om de onpartijdigheid van de rechter aan te tasten. Het feit dat de rechter en vereffenaar samen cursussen geven, zonder bespreking van lopende zaken, wekt geen schijn van partijdigheid. Ook eerdere onwelgevallige beslissingen en het verlenen van uitstel aan de vereffenaar vormden geen grond voor wraking.

De rechtbank concludeerde dat het wrakingsverzoek ongegrond was en wees het af. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige wrakingskamer bestaande uit voorzitter mr. I.L.A. Boer en leden mr. E.C.P.M. Valckx en mr. V.R. de Meyere op 7 november 2019.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen rechter Bennenbroek is afgewezen wegens gebrek aan concrete aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Wrakingskamer
zaaknummer: WR 19/030
Beschikking van 7 november 2019
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker]
hierna: verzoeker,
tegen
mr. A.G.M.H. Bennenbroek,
in zijn hoedanigheid van kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingslocatie
‘s-Hertogenbosch, bij de behandeling van de zaken met nummers: 346996 EX RK 19-88 en 7866011 EJ VERZ 19-321
hierna: de rechter.

1.Het Procesverloop

1.1
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 24 september 2019;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 7 oktober 2019;
- door verzoeker ingestuurde aanvullende documenten van 20 oktober 2019;
- de dossiers in de hiervoor genoemde hoofdzaken.
1.2
De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op
24 oktober 2019. Verzoeker is verschenen en heeft tijdens de mondelinge behandeling een pleitnota overgelegd waarin hij zijn wrakingsverzoek nader heeft toegelicht.
De rechter mr. A.G.M.H. Bennenbroek is ook verschenen. Hij heeft zijn standpunt tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek nader toegelicht. De rechter heeft aangegeven dat hij niet berust in het wrakingsverzoek.

2.Het verzoek en het verweer

2.1
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaken met nummers: 346996 EX RK 19-88 en 7866011 EJ VERZ 19-321. In de zaak met nummer 346996 EX RK 19-88 verzoekt verzoeker vereffenaar [naam] per direct te schorsen, de vereffenaar te ontslaan en hem aan te stellen als vereffenaar in de twee nalatenschappen van zijn vader en moeder. In de procedure met nummer 7866011 EJ VERZ 19-321 verzoekt verzoeker om een verbod op te leggen aan vereffenaar [naam] om over te gaan tot openbare verkoop van de woning van zijn overleden ouders in Lommel.
2.2
Verzoeker heeft de volgende wrakingsgronden naar voren gebracht:
- de rechter weigert het verzoek tot directe schorsing van vereffenaar [naam] in behandeling te nemen;
- ter onrechte is door de rechter uitstel verleend aan vereffenaar [naam] voor het indienen van een verweerschrift;
- de rechter is volkomen partijdig wegens de uitkomst van een (eerdere) procedure waarbij de rechter op 23 mei 2018 een beschikking heeft gewezen (rolnummer 18-171) en een herzieningsverzoek van verzoeker heeft afgewezen;
- de rechter en zijn griffier Van Lier lopen aan de leiband van vereffenaar [naam] ;
- de rechter en vereffenaar [naam] kennen elkaar goed; zij geven samen workshops over vereffeningen bij de SSR;
- vereffenaar [naam] heeft vooraf direct contact met rechters en/of griffier Van Lier van de rechtbank. Deze griffier pleegt valsheid in geschrifte ten gunste van vereffenaar [naam] .
2.3
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2
De rechtbank oordeelt dat de door verzoeker gestelde omstandigheden niet kunnen leiden tot een geslaagd wrakingsverzoek en overweegt daartoe als volgt.
3.3
Anders dan verzoeker is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een weigering het verzoek tot schorsing van vereffenaar [naam] in behandeling te nemen nu er op 22 januari 2020 voor beide zaken een behandeling ter zitting is bepaald. Het enkele feit dat de behandeling, na opgave van de verhinderdata, pas is gesteld op 22 januari 2020 kan geen vooringenomenheid van deze rechter opleveren. Temeer nu niet is gebleken dat de rechter persoonlijk bij het vaststellen van de zittingsdatum betrokken is geweest.
3.4
Dat aan vereffenaar [naam] uitstel voor het indienen van een verweerschrift is verleend, kan evenmin leiden tot toewijzing van het wrakingsverzoek. Het toewijzen van een verzoek om uitstel moet worden aangemerkt als een processuele beslissing. Dergelijke beslissingen vormen in beginsel geen grond voor een wraking. Alleen indien de beslissing zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechtbank jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. Dergelijke omstandigheden hebben zich naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet voorgedaan.
3.5
Ook de omstandigheid dat een rechter in een eerdere procedure een beslissing heeft genomen die een partij onwelgevallig is of in een andersoortige procedure in het nadeel van verzoeker heeft beslist, kan in beginsel geen grond zijn tot wraking van die rechter. Dat is slechts anders als die beslissing zo onbegrijpelijk is dat voor die beslissing redelijkerwijze geen andere verklaring kan worden gegeven dan dat zij voortvloeit uit vooringenomenheid van de rechter, of als de beslissing objectief gezien bij de verzoeker de gerechtvaardigde vrees heeft kunnen wekken dat de beslissing is ingegeven door vooringenomenheid jegens verzoeker. In de door verzoeker vermelde feiten en omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat van dergelijke beslissing in de beschikking van 23 mei 2018 sprake is.
3.6
Verder acht de rechtbank de stelling van verzoeker, dat de rechter en griffier Van Lier aan de leiband van vereffenaar [naam] lopen, slechts een bewering die het gevoel van verzoeker kenmerkt maar niet is gebaseerd op feiten. Voor zover het de griffier aan gaat, doet dit ook niet ter zake nu een wrakingsverzoek slechts jegens een rechter kan worden ingesteld. De stelling van verzoeker dat de vooringenomenheid van de rechter blijkt uit het feit dat de rechter en vereffenaar [naam] elkaar goed kennen omdat zij samen workshops over vereffeningen geven, gaat evenmin op. Onweersproken staat vast dat de rechter in zijn hoedanigheid van voorzitter van een expertgroep op het gebied van het erfrecht betrokken is geweest bij de organisatie van een professionele ontmoeting tussen de rechtspraak, advocatuur en het notariaat waarbij vereffenaar [naam] een rol heeft gehad door een korte inleiding en workshop te verzorgen. De enkele omstandigheid dat de rechter en de vereffenaar tegelijkertijd of tezamen deelnemen aan cursussen of bijeenkomsten die zijn gericht op het delen van juridische vakkennis, zonder dat daarbij over nog lopende zaken van individuele rechtzoekenden wordt gesproken, leidt niet tot het oordeel dat de rechter vooringenomen is in zaken waarin de vereffenaar betrokken is. Van bijkomende omstandigheden die tot een ander oordeel zouden leiden is niet gebleken.
Tot slot oordeelt de rechtbank dat de stelling van verzoeker dat vereffenaar [naam] direct contact heeft met rechters geen grond voor wraking in de onderhavige zaak opleveren, nu deze grond niet specifiek ziet op rechter mr. A.G.M.H. Bennenbroek.
3.7
De rechtbank wijst het wrakingsverzoek af.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek tot wraking van mr. A.G.M.H. Bennenbroek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.L.A. Boer, voorzitter, mr. E.C.P.M. Valckx en
mr. V.R. de Meyere, leden, en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.