Uitspraak
[verzoekster], wonende te [woonplaats] (Pakistan) (hierna: [verzoekster] )
Rechtbank Oost-Brabant
In deze zaak zijn wrakingsverzoeken ingediend tegen mr. J.J. Janssen, rechter bij de Rechtbank Oost-Brabant, naar aanleiding van een kort geding dat op 30 september 2019 werd behandeld. Verzoekers stelden dat de rechter partijdig was vanwege zijn beslissingen en gedragingen tijdens de zitting, met name het buiten beschouwing laten van een laat ingediende akte terwijl conclusies van antwoord van gedaagden wel werden meegenomen.
De rechter reageerde op de wrakingsverzoeken en legde uit dat de dagvaarding onvoldoende duidelijk was en dat de vordering mogelijk nietig zou worden verklaard. De wrakingskamer benadrukte dat wraking alleen gegrond is bij zwaarwegende aanwijzingen van vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, en niet als verkapt middel tegen onwelgevallige beslissingen.
De wrakingskamer oordeelde dat de beslissing van de rechter om de laat ingediende akte buiten beschouwing te laten niet onbegrijpelijk was en dat het reglement kort gedingen dit ondersteunt. Ook was het aan de rechter om de regie over de zitting te voeren, waaronder het bepalen van de volgorde en inhoud van de behandeling. Er waren geen feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid van de rechter aantasten.
Daarom werden de wrakingsverzoeken afgewezen. De beslissing werd op 24 oktober 2019 door de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank uitgesproken.
Uitkomst: De wrakingsverzoeken tegen de rechter zijn afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor partijdigheid.