In deze zaak dienden verzoekers meerdere wrakingsverzoeken in tegen de rechter die het kort geding behandelde met zaaknummer 7988553 CV EXPL 19-7866. De eerste verzoeken werden afgewezen door de wrakingskamer op 24 oktober 2019. Vervolgens dienden verzoekers een herhaald wrakingsverzoek in op 8 november 2019, kort voor de geplande vonnisdatum van 11 november 2019.
De wrakingskamer oordeelde dat het herhaalde verzoek dezelfde gronden betrof als de eerdere verzoeken en dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een nieuw wrakingsverzoek rechtvaardigden. Op grond van artikel 37, vierde lid, Rv werd het verzoek daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Daarnaast stelde de wrakingskamer vast dat het herhaald wrakingsverzoek werd gebruikt om de voortgang van het kort geding te frustreren, wat als misbruik van het wrakingsinstrument werd aangemerkt. Daarom werd bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken van verzoekers tegen deze rechter niet meer in behandeling zullen worden genomen.
De beslissing werd op 22 november 2019 in het openbaar uitgesproken door de meervoudige wrakingskamer van de Rechtbank Oost-Brabant, bestaande uit voorzitter H.M.H. de Koning en leden B.C.W. Geurtsen - van Eeden en E.J.C. Adang.