Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2020:1091

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
20 februari 2020
Publicatiedatum
21 februari 2020
Zaaknummer
C/01/355192 / FA RK 20-381
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WzdArt. 26 WzdArt. 27 Wzd
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek rechterlijke machtiging onvrijwillige opname wegens ontbreken medische verklaring

Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) heeft een verzoek ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant voor een rechterlijke machtiging tot onvrijwillige opname en verblijf van een cliënt voor de duur van zes maanden, op grond van de Wet zorg en dwang (Wzd).

De rechtbank beoordeelde dat het verzoek niet kon worden toegewezen omdat het CIZ geen verklaring van een onafhankelijke, ter zake kundige arts had overgelegd die de cliënt kort tevoren had onderzocht en die het vereiste causale verband tussen de psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, het gedrag en het ernstige nadeel aantoonde. De overgelegde brief van een psychiater en sociaal psychiatrisch verpleegkundige voldeed niet aan de wettelijke eisen, was niet ondertekend en gaf onvoldoende inzicht in het actuele functioneren van de cliënt.

De rechtbank concludeerde dat niet was voldaan aan de vereisten van artikel 26, vijfde lid, onder d, en artikel 27, eerste lid, van de Wzd en wees daarom het verzoek af. De beschikking werd openbaar uitgesproken op 20 februari 2020 door rechter M. Lammers.

Uitkomst: Het verzoek tot rechterlijke machtiging voor onvrijwillige opname wordt afgewezen wegens het ontbreken van een geldige medische verklaring.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer : C/01/355192 / FA RK 20-381
Uitspraak : 20 februari 2020
Beschikking betreffende een rechtelijke machtiging tot opname en verblijf
van de rechtbank Oost-Brabant naar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging voor de duur van zes maanden als bedoeld in artikel 24 e.v. van de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:
[Betrokkene],
geboren op [geboortedatum] , [geboorteplaats] ,
wonende en verblijvende te [verblijfplaats] , [postcode en adres] ,
hierna te noemen: cliënt,
advocaat: mr. T.W.H.M. Weller.

1.Procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, gedateerd 5 februari 2020 en ingekomen ter griffie op 5 februari 2020. Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- het indicatiebesluit, gedateerd 13 januari 2020;
- de aanvraag voor de rechterlijke machtiging, gedateerd 20 januari 2020;
- een brief van [naam] , psychiater, en [naam] , sociaal psychiatrische verpleegkundige.
1.2
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 20 februari 2002, op de locatie [postcode en adres] te [verblijfplaats] .
1.3
Ter zitting waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- cliënt, in tegenwoordigheid van haar advocaat mr. T.W.H.M. Weller;
- mevrouw [naam] , mantelzorgster;
- mevrouw [naam] , wijkverpleegkundige.

2.De beoordeling

Het verzoek van het CIZ strekt ertoe dat een rechterlijke machtiging wordt verleend tot onvrijwillige opname en verblijf van cliënt, zoals bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de Wzd.
Op grond van artikel 24, derde lid, onder a, van de Wzd kan de rechter de machtiging alleen verlenen indien hij van oordeel is dat het gedrag van cliënt, als gevolg van zijn psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, dan wel als gevolg van een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een combinatie daarvan, leidt tot ernstig nadeel. De rechter moet dus in staat worden gesteld om vast te stellen dat sprake is van zo’n aandoening, verstandelijke handicap of stoornis en ook moet hij kunnen vaststellen dat sprake is van een causaal verband met het ernstige nadeel. Daarvoor is een beoordeling nodig van een -onafhankelijke- arts.
In artikel 26, vijfde lid, onder d, van de Wzd is bepaald dat het CIZ bij zijn verzoek een verklaring dient over te leggen van een ter zake kundige arts, die cliënt met het oog op de machtiging kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij diens behandeling was betrokken. In artikel 27, eerste lid, van de Wzd zijn nadere eisen gesteld ten aanzien van de inhoud van de hiervoor bedoelde verklaring van de arts. Vereist is dat uit de verklaring blijkt dat de arts cliënt zelf heeft onderzocht en dat sprake is van het hiervoor bedoelde causale verband. Vereist is -kort gezegd- ook dat blijkt dat alleen door opname en verblijf in een accommodatie het ernstige nadeel kan worden voorkomen of afgewend. Bovendien verschaft de verklaring, met reden omkleed, inzicht in de actuele situatie van de cliënt en wordt de verklaring ondertekend.
De rechtbank is van oordeel dat de brief van 14 januari 2020, van de psychiater en de sociaal psychiatrisch verpleegkundige en gericht aan de huisarts, niet kan worden aangemerkt als een verklaring van een arts zoals bedoeld in artikel 26, vijfde lid, onder d, van de Wzd en daarmee ook niet kan worden gelijkgesteld. Nog afgezien van het feit dat de overgelegde brief niet is ondertekend kan de rechtbank uit de brief niet opmaken in hoeverre sprake is geweest van een eigen onderzoek (voldoende recent) van de arts met het oog op de machtiging, en of de arts niet betrokken is geweest bij de behandeling van cliënt. Ook is onvoldoende vermeld over het causale verband tussen -kort gezegd- de stoornis, het gedrag en het ernstig nadeel.
Nu niet is voldaan de vereisten van artikel 26, vijfde lid, en artikel 27, eerste lid, Wzd, wijst de rechtbank het verzoek van het CIZ af.

3.Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek van het CIZ af.
Deze beschikking is gegevens door mr. M. Lammers, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2020 in aanwezigheid van de griffier.
Conc: EWi
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.