De rechtbank Oost-Brabant heeft op 26 februari 2020 uitspraak gedaan in de ontnemingszaak tegen verdachte, waarbij een bedrag van €327.965,65 aan wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld. Dit bedrag is gebaseerd op opbrengsten uit drie hennepkwekerijen in panden te Helmond en Eindhoven.
Hoewel verdachte in de hoofdzaak niet is veroordeeld voor het telen van hennep in de betreffende panden, is de ontnemingsmaatregel toch opgelegd op grond van artikel 36e lid 2 Sr. De rechtbank concludeert dat er voldoende aanwijzingen zijn dat verdachte voordeel heeft genoten uit de hennepkwekerijen, onder meer vanwege het aantreffen van sleutels, voorwerpen en stoffen, getuigenverklaringen en track en trace gegevens.
De berekening van het wederrechtelijk voordeel is gebaseerd op het aantal oogsten per locatie, met een aangepaste aanvangsdatum van medio december 2018. De rechtbank wijst het standpunt van de verdediging af dat bij medeplegen ook gedeeld moet zijn in de opbrengst, omdat onvoldoende aanwijzingen daarvoor zijn. De ontnemingsvordering wordt daarom toegewezen voor het vastgestelde bedrag.
De rechtbank bepaalt tevens de maximale duur van gijzeling op drie jaar en wijst de overige vorderingen af. Het vonnis is gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant.